Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Probleemstelling in algemene zin
achterafeen klacht indienen over – onder meer – een beslissing tot onvrijwillige behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis (art. 38c Wet Bopz), over de toepassing in het ziekenhuis van middelen of maatregelen ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties (art. 39 Wet Pro Bopz) en over bepaalde in het ziekenhuis opgelegde beperkingen van grondrechten (art. 40 Wet Pro Bopz). [7] De Wet Bopz bood geen grondslag voor onvrijwillige psychiatrische behandeling buiten een psychiatrisch ziekenhuis.
op zichniet in strijd met de Wet Bopz geacht: zie HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2802, NJ 1999/270 (rov. 3.1).
voorwaardelijkemachtiging tot voortgezet verblijf die pas ten uitvoer gelegd kan worden indien de betrokkene gedurende de periode waarvoor de machtiging is verleend, (verdere) medewerking aan een behandeling weigert, geoorloofd.
Als opneming niet onmiddellijk nodig is, kan de machtiging aangeven of, en zo ja in welke situatie, zij tevens tot opneming kan strekken.Duidelijk moet zijn welke interventies na opneming mogelijk zijn en de omstandigheden waaronder deze kunnen plaatsvinden.” [11]
nietin de zorgmachtiging zijn voorzien. Dit ‘drietrapsmodel’ is van belang voor de beoordeling van het principaal cassatiemiddel.
ambulantezorgverlening vermeldt de memorie van toelichting onder meer:
Eventueel is het ook mogelijk medicatie (depot) in de thuissituatie toe te dienen in het geval betrokkene hiervoor open staat. Weigert betrokkene dit, dan zal dit niet thuis mogen gebeuren en moet betrokkene hiervoor meegenomen worden naar de accommodatie voor het toedienen van (dwang)medicatie, waar dit wel onder gecontroleerde en veilige omstandigheden kan plaatsvinden. Het zorgplan (en de zorgmachtiging) zal dan wel de voorwaarden moeten formuleren waaronder opneming in een accommodatie ten behoeve van het toedienen van medicatie kan plaats vinden.
Bij het niet voldoen aan de voorwaarden, bijvoorbeeld doordat de medicatie niet wordt ingenomen, kan betrokkene naar de kliniek worden gebracht en na toedienen van de medicatie direct weer worden ontslagen met dezelfde voorwaarden.” [18]
ondanks verzetkan worden verleend (art. 3:1 Wvggz Pro). Binnen een ‘accommodatie’ kan de zorgverantwoordelijke, zo nodig met behulp van andere personeelsleden, de uitvoering van de verplichte zorg die in de zorgmachtiging is omschreven fysiek (doen) afdwingen. Met een civielrechtelijke uitdrukking zou men dit de ‘reële executie’ van een zorgmachtiging kunnen noemen, maar deze benaming is niet gangbaar in de ggz-sector. Al geruime tijd is het streven van zorgaanbieders, beroepsorganisaties van psychiaters en belangenverenigingen van patiënten erop gericht dat dwangbehandeling in de psychiatrie slechts als een uiterste middel (‘
ultimum remedium’) wordt toegepast. Daarvan gaat ook art. 2:1 lid 2 Wvggz Pro uit. Van verschillende zijden werd gewaarschuwd voor de gevolgen voor de privacy indien ingrijpende psychiatrische dwangmaatregelen ondanks verzet van de patiënt worden uitgevoerd bij patiënten thuis: de patiënt voelt zich niet langer veilig in zijn eigen huis. Ook zorgaanbieders en beroepsorganisaties in de sector psychiatrie hebben erop gewezen dat het fysiek afdwingen van verplichte zorg buiten een accommodatie op praktische bezwaren kan stuiten. Vooral indien de patiënt zich (niet slechts mondeling, maar ook) feitelijk verzet tegen het toepassen van de verplichte zorg waarvoor de machtiging is verleend, kan de
settingof de
timingongeschikt zijn om de veiligheid van de patiënt, van het personeel en van eventuele omstanders te waarborgen en de behandeling op een medisch zorgvuldige wijze uit te voeren. [21] Soms vindt de ambulante zorgverlener in zo’n geval een praktische oplossing, bijvoorbeeld door op een ander tijdstip terug te komen. De bewindspersonen lijken ervan uit te gaan dat bij verzet in de thuissituatie de patiënt zal worden meegenomen naar een accommodatie of een andere locatie van de zorgaanbieder. [22] Daar is doorgaans meer personeel beschikbaar om bij de uitvoering van de verplichte zorg te assisteren dan bij de patiënt thuis. [23]
nietgaat. De wettekst brengt mee dat in één zorgmachtiging het ‘opnemen in een accommodatie’ als verplichte zorg kan worden gecombineerd met andere vormen van verplichte zorg. Zo maakt, bijvoorbeeld, de combinatie in een zorgmachtiging van het ‘opnemen in een accommodatie’ met de verplichte zorg als bedoeld in art. 3:2, lid 2 onder a, Wvggz (met inbegrip van ‘medicatie’), het intramuraal toedienen van medicatie als verplichte zorg gedurende het verblijf in de accommodatie mogelijk. De combinatie
op zichis niet het probleem.
feitelijkniet zal worden toegediend buiten een accommodatie. Kennelijk is het beleid van deze zorgaanbieder erop gericht dat buiten een accommodatie de medicatie slechts wordt toegediend indien de patiënt zijn medewerking daaraan verleent. Als betrokkene thuis geen medewerking verleent en ook niet vrijwillig naar een locatie van de zorgaanbieder komt om daar de injectie te ontvangen, is de machtiging tot het (tijdelijk) opnemen in een accommodatie nodig om de medicatie te kunnen effectueren. De toevoeging in rov. 2.2.2, dat buiten de accommodatie medicatie
feitelijkniet gedwongen zal worden toegediend, moet worden begrepen als de motivering van het oordeel dat in dit geval niet kan worden volstaan met enkel een machtiging tot het toedienen van medicatie als verplichte zorg.
cassatierekest onder 1.14is (subsidiair) aangevoerd dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat de rechter in de zorgmachtiging aangeeft
op welk momenten
voor welke duureen bepaalde vorm van verplichte zorg een geëigende interventie is. Volgens de klacht schiet de bestreden beschikking op dit punt tekort. In het cassatierekest (blz. 9) wordt, meer in het algemeen, gevraagd om een uitspraak van de Hoge Raad over de vraag hoe breed het kader mag zijn dat de rechter aan de zorgverantwoordelijke laat om – naar eigen inzicht – verplichte zorg op betrokkene toe te passen “die veelal gepaard zal gaan met verregaande inbreuken op betrokkene’s vrijheid, privacy en lichamelijke integriteit”. Het cassatierekest wijst in dit verband op hetgeen in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wvggz is opgemerkt over de wenselijkheid van differentiatie van de te verlenen zorg en over de rol van de rechter daarbij. [29]
voorzienbare crisissituatiezich voordoet. [34] Ruimer, want niet aan crisissituaties gekoppeld, is de gedachte dat een zorgplan kan voorzien in getrapte zorg (‘
stepped care’). Getrapte zorg houdt in dat gedurende de looptijd van de zorgmachtiging de zorg kan worden ‘opgeschaald’ of ‘afgeschaald’, naar gelang de geestelijke toestand van de patiënt op dat moment daartoe aanleiding geeft. W. Dijkers heeft in dit verband de mogelijkheid genoemd van een ‘trajectmachtiging’:
tijdstip van de opnemingbetreft, maakt het middelonderdeel bezwaar tegen de tweede volzin van rov. 2.2.3. Deze luidt: “Alleen als betrokkene zijn medicatie weigert en het ziektebeeld verergert, kan gebruik worden gemaakt van verplichte zorg die bestaat uit het opnemen in een accommodatie.” Volgens het middelonderdeel zijn de woorden “en het ziektebeeld verergert” te subjectief geformuleerd: de invulling daarvan is afhankelijk van de persoon die de inschatting maakt en zou ruimte laten voor willekeur. Uit de beschikking moet de betrokkene kunnen begrijpen welke concrete en objectiveerbare omstandigheden vereist zijn om hem zijn vrijheid te kunnen ontnemen. Ook het rechtszekerheidsbeginsel wijst volgens de klacht daarop.
dictumvan de beschikking, dat een verbinding legt met rov. 2.2, staat het opnemen van betrokkene in een ‘accommodatie’ slechts toe ingeval betrokkene niet meewerkt aan het toedienen van de medicatie. Het tijdstip van de weigering is objectief bepaalbaar; dat wordt in cassatie niet bestreden. Voor het overige mist de klacht mijns inziens feitelijke grondslag. In rov. 2.2.3 gaat de rechtbank uit van het (in rov. 2.2.2 genoemde) geval dat betrokkene niet meewerkt aan het toedienen van medicatie. Niet als een tweede voorwaarde voor het toestaan van opneming van betrokkene in een ‘accommodatie’, maar slechts als een
gevolgvan het niet innemen van de medicatie, heeft de rechtbank ontregeling van het ziektebeeld genoemd. De klacht treft om deze reden geen doel.
duur van de opneming in een accommodatiebetreft, luidt de klacht dat de rechtbank ten onrechte de duur van de opname niet heeft gedifferentieerd. Volgens de toelichting lijkt het erop, dat aan de rechtbank twee verschillende situaties voor ogen hebben gestaan: enerzijds het veronderstelde geval waarin betrokkene de voorgeschreven medicatie weigert en het ziektebeeld dientengevolge verergert; anderzijds een veronderstelde situatie waarin betrokkene weigert mee te werken aan het toedienen van de voorgeschreven medicatie en de medicatie
feitelijkniet kan worden toegediend buiten een ‘accommodatie’ van de zorgaanbieder.
cassatierekest onder 1.12houdt in dat in HR 6 oktober 2000, NJ 2000/716 (zie alinea 2.9 hiervoor), bijzondere motiveringseisen zijn gesteld waaraan een ‘paraplumachtiging’ moet voldoen. De bestreden beschikking voldoet volgens de klacht niet aan deze motiveringseisen: de rechtbank niet heeft aangeduid op welke gronden zij tot het oordeel is gekomen dat zodanig ernstig nadeel dreigt dat op het tijdstip van haar beslissing een machtiging tot opneming in een ‘accommodatie’ nodig was. Tegen de achtergrond van het stelsel van de wet had, volgens de klacht, een nadere toelichting niet mogen ontbreken.
cassatierekest onder 1.13gaat ervan uit dat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de verklaring van de verpleegkundig specialist, voor zover deze inhield: “(…) hetgeen buiten de accommodatie feitelijk niet gedwongen zal gebeuren”. De klacht houdt in dat een verwijzing naar die verklaring geen begrijpelijke redengeving oplevert, omdat de rechtbank niet aangeeft waarom de (depot-)medicatie niet ambulant, bij betrokkene thuis, als verplichte zorg zou kunnen worden toegediend. Waarvoor is het opnemen in een ‘accommodatie’ nodig? Ook het oordeel in rov. 2.2.4 dat minder bezwarende alternatieven niet voorhanden zijn, is volgens de klacht onbegrijpelijk zonder een nadere motivering. De slotsom van de rechtbank dat aan de vereisten van art. 6:4 lid 1 in Pro verbinding met art. 3:3 onder Pro b Wvggz is voldaan, is volgens het middelonderdeel om dezelfde redenen onbegrijpelijk.
actuelegezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van het geven van de beschikking niet noopte tot het (verder) ondergaan van verplichte zorg in een accommodatie, maar dat de behandeling in de thuissituatie zou worden voortgezet. Aldus is niet voldaan aan de criteria van verplichte zorg (art. 3:3 Wvggz Pro) en het doel van verplichte zorg (3:4 Wvggz), die hier inhouden dat het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel dat door het verlenen van verplichte zorg kan worden afgewend. De rechtbank behoort dat
ex nuncte toetsen. Dat aan de eisen van art. 3:3 en Pro 3:4 Wvggz is voldaan getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting. In elk geval is het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk.” [38]
ex nunc) blijkt dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis het aanzienlijk risico meebreng dat (in de looptijd van de machtiging) een of meer van de in het tweede lid van art. 1:1 Wvggz Pro beschreven situaties zich zullen voordoen, kan die constatering bijdragen tot het rechterlijk oordeel dat aan de eisen van art. 3:3 Wvggz Pro is voldaan. Ik lees niet anders in rov. 2.1.4 van de bestreden beschikking. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht stuit hierop af.
(legal certainty). Wanneer de rechtbank de beslissing over het (alsnog) opnemen in een accommodatie overlaat aan een medicus, is volgens het middelonderdeel niet aan deze eis voldaan. Zowel in het eerste als in het vierde lid van art. 5 EVRM Pro liggen waarborgen besloten tegen willekeurige vrijheidsbeneming, die de rechtbank heeft miskend. Het middelonderdeel noemt ook de in het vierde lid van art. 5 EVRM Pro geëiste mogelijkheid om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te laten beoordelen door een rechter. [40] Indien, wat dit laatste punt betreft, de rechtbank het oog heeft gehad op de mogelijkheid om zich te wenden tot de klachtencommissie op grond van hoofdstuk 10 Wvggz, heeft de rechtbank miskend dat de klachtencommissie niet een rechterlijke instantie is. Ook heeft de rechtbank dan miskend dat het klachtenrecht van art. 10:3 Wvggz Pro geen waarborg inhoudt tegen willekeurige vrijheidsbeneming, noch kan worden beschouwd als een effectief rechtsmiddel om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te toetsen, mede gelet op het bepaalde in art. 10:6 lid 2 Wvggz Pro (dat meebrengt dat een klacht niet ontvankelijk is als deze betrekking heeft op de zorgmachtiging als zodanig). Indien de rechtbank van oordeel is dat wél aan de uit art. 5 EVRM Pro voortvloeiende eisen is voldaan, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de redengeving onbegrijpelijk. Tot zover de klacht.
in accordance with a procedure prescribed by law”. [41] Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kent de Wvggz een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming die in twee fasen verloopt. Vooraf toetst de machtigingsrechter welke verplichte zorg in een bepaald tijdvak aan de betrokken patiënt mag worden verleend. Dan beslist de zorgverantwoordelijke binnen het door de zorgmachtiging bepaalde kader over de concrete toepassing van de verplichte zorg: de in art. 8:9 Wvggz Pro bedoelde uitvoeringsbeslissing. Op de voet van hoofdstuk 10 Wvggz kan achteraf een rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid van de uitvoeringsbeslissing worden verkregen. Daarnaast kan de betrokken patiënt een verzoek indienen tot beëindiging van de verplichte zorg (art. 8:18 Wvggz Pro). Een consequentie van dit gefaseerde stelsel van rechtsbescherming is, inderdaad, dat in de klachtenprocedure van hoofdstuk 10 de inhoud van de zorgmachtiging
als zodanigniet meer kan worden aangevochten. De partij die het niet eens is met de beschikking van de machtigingsrechter kan tegen diens beslissing beroep in cassatie instellen.
Habeas Corpus Actgeïnspireerde verdragsbepaling gaat ervan uit dat door een overheidsorgaan de vrijheid ontnomen is aan een persoon. Art. 5 lid 4 EVRM Pro geeft die persoon het recht om zich tot een rechter te wenden, die spoedig en in volle omvang de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming beoordeelt en de invrijheidstelling kan gelasten indien de vrijheidsontneming niet rechtmatig is.
dictumvan zijn beslissing de zorgverantwoordelijke wat meer beslissingsruimte laat, verleent de Wvggz-klachtenrechter achteraf rechtsbescherming. Indien de machtigingsrechter verschillende vormen van verplichte zorg combineert en een voorwaarde bepaalt waaronder (gedurende de looptijd van de machtiging) opneming van de patiënt in een accommodatie mogelijk is en de zorgverantwoordelijke van mening is dat aan die voorwaarde is voldaan [42] en op die grond de betrokkene doet opnemen in een accommodatie, kan over die uitvoeringsbeslissing het oordeel van de klachtenrechter worden verkregen.
speedily’is in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro, behoeft naar mijn mening niet te worden beantwoord in de machtigingsprocedure. Het verdient aantekening dat de klachtencommissie en de klachtenrechter aan een korte beslistermijn gebonden zijn [44] en dat zowel de klachtencommissie (art. 10:5 lid Pro 1) als de rechtbank (art. 10:9 lid Pro 1) de beslissing tot opneming in een accommodatie waartegen de klacht is gericht kan schorsen. De wetgever heeft kennelijk voor ogen gehad dat de klachtencommissie optreedt als ‘voorportaal’ teneinde de klachtenrechter te ontlasten. Wel zou de wetgever zichzelf de vraag kunnen stellen of een rechtsmiddel zoals in art. 14e (oud) Wet Bopz niet beter aan art. 5 lid 4 EVRM Pro beantwoordt dan de huidige regeling in hoofdstuk 10 Wvggz, als het gaat om een beslissing over vrijheidsontneming. Met een wetswijziging die in zo’n geval het overslaan van de klachtencommissie toestaat en rechtstreeks beroep op de rechtbank openstelt, is dit gemakkelijk te verhelpen.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
actueleomstandigheden die
op dat momentertoe nopen hem zijn vrijheid te ontnemen. Wanneer de rechter ten tijde van het verlenen van de zorgmachtiging niet heeft beoogd dat betrokkene daadwerkelijk wordt opgenomen in een accommodatie, omdat zich op dat moment (nog) geen omstandigheden voordoen die zo’n opneming nodig maken, is volgens betrokkene niet voldaan aan de eisen van art. 5 EVRM Pro. Betrokkene wijst op de rechtspraak van de Hoge Raad over de noodzaak van een beoordeling
ex nunc. [47] Een beoordeling op voorhand (een beoordeling
ex future, zoals het verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep dit noemt) zou aan betrokkene onvoldoende rechtsbescherming bieden.
Einzelgänger. In een reeks op rechtspraak.nl gepubliceerde Wvggz-beschikkingen heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat wanneer na het verlenen van de machtiging ‘een aanzienlijke periode’ is verstreken en de betrokken patiënt alsnog moet worden opgenomen in een accommodatie, de patiënt opnieuw moet worden beoordeeld door een onafhankelijke psychiater. In latere uitspraken heeft deze rechtbank de ‘aanzienlijke’ periode gepreciseerd op drie maanden. [48] Het door de rechtbank ingenomen standpunt is terug te vinden in SDU Commentaar gedwongen zorg, waarin Dijkers schrijft:
objectiefonderzoek is vastgesteld dat bij de betrokkene inderdaad sprake is van een stoornis van de geestvermogens die van een zodanige aard of ernst is dat deze de vrijheidsbeneming rechtvaardigt. De vaststelling hiervan vergt een objectieve en recente beoordeling door een medisch specialist zoals een psychiater:
true mental disorder’) van een zodanige aard of ernst dat deze rechtvaardigt dat aan de betrokkene gedurende een bepaald tijdvak de vrijheid wordt ontnomen, legitimeert dat niet slechts de opneming maar ook het daarop volgende verblijf in de accommodatie ondanks het verzet daartegen. Dit betekent niet dat art. 5 EVRM Pro iedere betekenis verliest vanaf het tijdstip waarop de betrokken persoon onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis of accommodatie is opgenomen. Na de opneming komt men bij het derde vereiste in de rechtspraak van het EHRM: “
the validity of continued confinement depends upon the persistence of such a disorder”. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een overweging uit het arrest Ilnseher/Duitsland:
have the opportunity to benefit from a second, independent psychiatric opinion”) bij het beantwoorden van de vraag of een rechtmatig aangevangen vrijheidsbeneming mag voortduren, zou dit te meer gelden voor gevallen waarin de patiënt feitelijk in vrijheid verkeert en eerst geruime tijd na de dag waarop de machtiging tot opneming door de rechter is afgegeven, alsnog gedwongen wordt opgenomen in een accommodatie. Dit betekent niet dat de onafhankelijke psychiater vanaf het nulpunt moet vertrekken: hij kan gebruik maken van de resultaten van het eerder door een onafhankelijke psychiater verrichte onderzoek en zich concentreren op de vraag naar de huidige (
actuele)gezondheidstoestand van de betrokken patiënt.