De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 maart 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene lijdt aan diverse psychische stoornissen en heeft een geschiedenis van verslavingsproblemen en eerdere gedwongen opnames.
Tijdens de mondelinge behandeling, die vanwege COVID-19 telefonisch plaatsvond, werden betrokkene, haar advocaat en behandelaar gehoord. De behandelaar gaf aan dat betrokkene momenteel niet gemotiveerd is om te stoppen met drugsgebruik en dat opname alleen noodzakelijk is als betrokkene zich niet aan voorwaarden houdt. Betrokkene verblijft momenteel in een voorziening en gebruikt drugs, maar neemt ook medicatie.
De rechtbank concludeerde dat er voldoende mogelijkheden zijn voor zorg op vrijwillige basis in een ambulante setting en dat opname niet noodzakelijk is. De verzochte zorgmachtiging, die vergelijkbaar is met een voorwaardelijke machtiging onder de oude Wet BOPZ, wordt door de Wvggz niet gekend. Ook de verzochte vormen van verplichte zorg kunnen niet worden toegepast zonder opname, die niet is toegestaan. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.