Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het oordeel dat de gedragingen van de verdachte als belaging kunnen worden aangemerkt onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd.
de rechtbank begrijpt, zoals eerder overwogen: 8 oktober 2013). In dit sms’je staat het volgende: “Jammer [aangever] dat het zo gaat ook voor [betrokkene 1] die wel graag wilde is het jammer ik had graag opnieuw met een schone lei met jullie twee er wat van willen maken mocht jij of [betrokkene 1] ooit contact willen dan heb je nu mijn nummer en mijn deur staat altijd open zal altijd van jullie blijven houden gr jullie vader [e-mailadres]”
Beoordeling van het bewijs
Gewijzigde Memorie van Toelichting:
Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 2, 15 en 16)
Nota naar aanleiding van het Verslag:
Kamerstukken II1998/99, 25 768, nr. 7, p. 14)
Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer:
Kamerstukken I1999/2000, 25 768, nr. 67a, p. 9)
NJ2013/393 m.nt. Reijntjes had de verdachte drie anonieme sms-berichten in een periode van een week (de eerste twee binnen 24 uur) verzonden aan een rechercheur bij de politie die betrokken was geweest bij een groot en zwaar strafrechtelijk onderzoek. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat de verdachte stelselmatig inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster niet van een onjuiste uitleg van art. 285b Sr blijk gaf: “De omstandigheid dat slechts een beperkt aantal sms-berichten in een periode van een week zijn verstuurd staat in dit geval niet aan het aannemen van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van […] in de weg. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de drie anoniem verzonden sms-berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van de rechercheur bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk, en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland werd ondergebracht.
NJ2018/427 ziet op een verdachte die de aangever (een politieagent) in een periode van zes jaren verschillende (liefdes)brieven, kaarten en pakketten met cadeaus had gestuurd, de aangever had opgezocht op het politiebureau, hem via social media, per telefoon en per post op zijn privéadres had benaderd en zich in de buurt van de woning van de aangever had opgehouden. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte ondanks twee door hem ondertekende verklaringen met de strekking dat hij zou stoppen met het in contact treden met de aangever daarmee toch was doorgegaan. De omstandigheid dat de frequentie van de contacten gedurende de zeer lange periode waarin deze hadden plaatsgevonden niet hoog was, stond, evenmin als de omstandigheid dat de tenlastegelegde gedragingen naar hun aard niet op zichzelf beschouwd strafbaar waren, niet in de weg aan het bestaan van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer".
NJ2007/107, m.nt. Mevis gaat over een belaging door de buurman van de aangeefster. De verdachte had met tussenpozen gedurende een periode van bijna twee jaar meermalen per dag gebonkt en geslagen tegen de tussenmuur met de woning van de aangeefster, een gat geboord vanuit zijn woning naar de badkamer van de aangeefster, meermalen de aangeefster en haar gezinsleden toegeroepen dat zij zachter moesten doen en brieven naar de aangeefster verstuurd onder andere met als inhoud: “Wilt u uw WC op de begane grond niet meer gebruiken". De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte belaging opleverden geen blijk gaf van een onjuiste opvatting omtrent het begrip belaging. Met verwijzing naar de wetsgeschiedenis nam de Hoge Raad daarbij in aanmerking dat “de omstandigheid dat de verdachte en de slachtoffers buren waren, niet aan het aannemen van belaging in de weg [staat]”. Beslissend is of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk. Het gaat er daarbij om of het lastigvallen van een ander een zekere mate van indringendheid, duur en frequentie heeft.
NJ2014/182 had de verdachte in 24 uur zijn ex-echtgenote tevergeefs gebeld, een voicemail bericht achtergelaten en was hij langs geweest bij haar woning en had daarbij een foto van een man met een eng masker in haar brievenbus gedaan met daarop de tekst “We’d better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro’s kosten. U R Warned”. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd en nam daarbij in aanmerking dat de bewijsvoering onvoldoende inhield met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hadden plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid.
NJ2011/228, m.nt. Keijzer ging het om een verdachte die zijn ex-echtgenoot twee keer had gebeld, verschillende keren door haar straat had gefietst dan wel gereden en daar een keer doorheen was gelopen. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhielden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hadden plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de betrokkene, kon niet worden gezegd dat sprake was van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr.
NJ2013/394, m.nt. Reijntjes had de verdachte in een periode van drieënhalve maand meermalen een sms-bericht verstuurd naar de aangeefster. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen over de aard van de gedragingen van de verdachte niet meer inhielden dan dat de aangeefster per sms “vele bedreigingen” van de verdachte had ontvangen.
nadateen herstelgesprek tussen hem en zijn zoon (de aangever) niet goed was verlopen en de Raad voor de Kinderbescherming had bepaald dat er geen verdere contacten meer zouden zijn én
nadatzijn zoon hem op 4 oktober 2013 had duidelijk gemaakt dat hij geen enkel contact meer met hem, de verdachte, wilde hebben – gedurende een periode van ongeveer vijf weken zijn zoon heeft gebeld en aan hem sms’jes, mms’jes, tweets en whats-app berichten heeft verzonden, elf via de telefoon en twaalf via Twitter. De inhoud van de door de verdachte verstuurde berichten zijn gericht op het krijgen van contact met zijn zoon. Door de zoon is verklaard dat deze berichten hem een angstig gevoel gaven, elke keer als de verdachte contact met hem zocht. Hij was bang dat het zou eindigen “in een familiedrama” en elke keer als de verdachte contact met hem zocht, werd hij geconfronteerd met wat de verdachte in het verleden had gedaan, te weten hetgeen door de zoon in zijn aangifte is beschreven (bewijsmiddel 2.1).
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting op het middel, behelst de klacht dat het hof ten onrechte, want in strijd met art. 301, vierde lid, Sv, in de strafmaatoverwegingen ten bezware van verdachte heeft acht geslagen op de inhoud van een arrest van het hof d.d. 28 augustus 2013, “zulks terwijl uit het verhandelde ter zitting blijkt, althans het vermoeden rijst dat dit stuk niet aan de verdachte is voorgehouden en verdachte niet van de inhoud van dit stuk op de hoogte is”, althans dat het hof ten onrechte heeft “nagelaten de inhoud van dit arrest nader ter terechtzitting aan de orde te stellen, zodat verdachte hierdoor is verrast”. Het onderzoek in hoger beroep en/of het arrest zou(den) om die reden nietig zijn.
De verdediging heeft in zoverre wel een punt dat het strafblad van de verdachte op zich geen aanleiding geeft om voor herhaling van ernstige delicten te vrezen. Bovendien hebben zich sinds het ogenblik waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst, 7 februari 2012, geen strafwaardige incidenten voorgedaan. In zoverre lijkt het met het gevaar dat de verdachte in zich zou bergen wel los te lopen.Inmiddels heeft verdachte zich, naar het oordeel van het hof, opnieuw schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit binnen dezelfde setting namelijk zijn (voormalige) gezin. Daardoor heeft hij het slachtoffer, zijn eigen zoon, blijkens diens (slachtoffer)verklaring vrees voor verdere escalatie aangejaagd. Verdachtes zoon lijdt hieronder.
NJ2012/82 uitgelaten, en wel voor zover hier van belang als volgt:
Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.