Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die tussen december 2009 en december 2015 herhaaldelijk contact zocht met een politieagent, onder meer via sociale media, brieven, pakketten, bezoeken aan het politiebureau en de privéwoning van de agent. Ondanks twee ondertekende verklaringen waarin de verdachte beloofde te stoppen met contact, zette hij zijn gedragingen voort.
De politieagent deed aangifte wegens stalking en belaging, omdat hij zich door het gedrag van de verdachte beperkt voelde in zijn werk en privéleven. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte, ondanks de relatief lage frequentie, samen een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde de criteria voor belaging uit eerdere jurisprudentie, zoals de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen en de impact op het slachtoffer. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bekrachtigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor stelselmatige belaging van een politieagent.