Conclusie
[eiser 1])
[de echtgenote van eiser 1])
[eisers])
Rabobank)
1.De feiten
hof) gewezen tussenarrest (hierna: het
tussenarrest). [1]
[betrokkene 1]) hebben in 2007 besloten tot de overname van vennootschappen in de transportsector behorende tot de [A] -groep en van die vennootschappen zelf het management te gaan voeren. In verband met de beoogde koop van de aandelen in deze vennootschappen (hierna ook: de
management buy in) zijn de statuten van de voormalige praktijkvennootschap van [eiser 1] , [B] B.V., gewijzigd. Bij statutenwijziging van 3 september 2007 (prod. 10 inleidende dagvaarding) is het doel van de vennootschap als volgt gewijzigd:
Holding).
[D]), [E] B.V. en – indirect, via [D] – [F] B.V. verworven. In diezelfde periode verwierf [D] [G] B.V., in welke vennootschap [C] Holding al 100% van de aandelen hield, een aantal transportactiviteiten door middel van een activa-transactie.
[H]).
c.s.) een financieringsovereenkomst [2] gesloten (hierna: de
financieringsovereenkomst). De door Rabobank aan [C] Holding verstrekte geldlening is overeenkomstig het in de financieringsovereenkomst vermelde bestedingsdoel gebruikt voor de financiering van de management buy in. Voor het verkrijgen van de financiering is door Rabobank een aantal zekerheden bedongen. Het betrof hier blijkens de financieringsovereenkomst onder meer een borgstelling door [eiser 1] voor de huidige en toekomstige verplichtingen van de debiteur voor een bedrag van € 75.000,--.
borgtochtovereenkomst). Deze overeenkomst is niet mede ondertekend door [de echtgenote van eiser 1] .
curator).
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
CvA). Zij heeft de volgende verweren gevoerd:
rechtbank), heeft bij tussenvonnis van 26 maart 2014 [17] een comparitie van partijen gelast. Het tussenvonnis is gevolgd door brieven zijdens Rabobank van 21 mei 2014 (met producties 12 t/m 16) en 4 juni 2014 (met productie 17) en door de comparitie van partijen van 5 juni 2014 (waarvan proces-verbaal is opgemaakt), waarna vonnis is bepaald.
eindvonnis) [18] het primaire verweer van [eisers] verworpen, het subsidiaire verweer van [eisers] gehonoreerd en de vordering van Rabobank afgewezen, met veroordeling van Rabobank in de kosten.
MvA) verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, gericht tegen de verwerping door de rechtbank in het eindvonnis van het primaire verweer. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft [eisers] voorts het door de rechtbank in eerste aanleg niet behandelde meer subsidiaire verweer aan de orde gesteld. Volgend op de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties) zijdens Rabobank, de akte van [eisers] van 8 september 2015 en de antwoordakte van Rabobank van 6 oktober 2015, heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
eindarrest) [28] vernietigt het hof in het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep het eindvonnis en wijst het, opnieuw recht doende, de vorderingen van Rabobank toe met veroordeling van [eisers] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en tot betaling aan Rabobank van de beslagkosten, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente (art. 6:119 BW Pro) en als nader overwogen in het dictum (rov. 8). In het eindarrest overweegt het hof daartoe, samengevat, het volgende.
[…] /Rabobank-arrest van de Hoge Raad, gevolgd in rov. 7.4.1-7.4.2 door een weergave van de standpunten van Rabobank en [eisers] ten aanzien van voornoemde vraag. In rov. 7.4.3-7.4.7 (eerste zin) volgt de beoordeling door het hof van voornoemde vraag met inachtneming van die standpunten ter zake van partijen, uitmondend in de conclusie dat de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard. Daarbij gaat het hof ervan uit – als niet in geschil tussen partijen – dat [C] Holding vanaf 20 juli 2012 is opgehouden te bestaan, en baseert het hof zich mede op art. 36 Fw Pro, art. 137c Fw, art. 137g Fw, art. 193 Fw Pro en art. 194 Fw Pro, in verbinding met art. 3:320 BW Pro, waaruit volgt dat een lopende verjaringstermijn niet afloopt zolang een vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van art. 194 Fw Pro.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.3 tussenarrest, inhoudend “dat ook als Rabobank de afspraak om eerst een onderzoek te verrichten naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] niet serieus heeft genomen, dit niet meebrengt dat [eiser 1] erop mocht vertrouwen dat Rabobank haar aanspraak uit hoofde van de borgtocht niet meer geldend zou maken”, getuigt van een te terughoudende toepassing van de vereisten voor rechtsverwerking, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan dat niet in geschil is dat Rabobank
eerstonderzoek zou doen naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] en pas daarna zou beslissen om al dan niet [eiser 1] aan te spreken, en dat hiervan uitgaande niet valt in te zien waarom [eiser 1] er dan niet op mocht vertrouwen dat Rabobank in ieder geval niet zonder een deugdelijk (serieus) onderzoek naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] – welk onderzoek, naar in cassatie moet worden aangenomen, Rabobank niet (serieus) heeft verricht en dat vanwege de verjaring van een eventuele vordering op [H] ook zinloos is geworden – zou overgaan tot het uitwinnen van de borgtocht.
eerstonderzoek zou doen naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] en pas daarna zou beslissen om al dan niet [eiser 1] aan te spreken, niet valt in te zien waarom [eiser 1] er dan niet op mocht vertrouwen “dat Rabobank in ieder geval niet zonder een deugdelijk (serieus) onderzoek naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] – welk onderzoek, naar in cassatie moet worden aangenomen, Rabobank niet (serieus) heeft verricht en dat vanwege de verjaring van een eventuele vordering op [H] ook zinloos is geworden – zou overgaan tot het uitwinnen van de borgtocht”. [eisers] ziet eraan voorbij dat het hof op basis van rov. 3.7.3-3.7.4 tussenarrest niet meegaat in de onderkende stelling van [eisers] (als weergegeven in rov. 3.7.1 (eerste alinea, derde zin) tussenarrest) dat Rabobank, door het maken van de afspraak met [eiser 1] als bedoeld in rov. 3.7.1 (eerste alinea, tweede zin) tussenarrest en herhaald in rov. 3.7.3 (derde alinea) tussenarrest, [40] bij [eiser 1] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij haar aanspraken uit de borgtocht niet geldend zal maken voordat door haar serieus onderzoek naar de verhaalsmogelijkheden tegen [H] zal zijn verricht. Gelet op al hetgeen het hof daar uiteenzet, valt ook dat oordeel heel wel te begrijpen en in te passen in het juridische kader als vooropgesteld in rov. 3.7.2 tussenarrest. Ook daarop stuit het onderdeel af.
onderdeel 2klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.4 tussenarrest, inhoudend “dat het Rabobank mede vanwege de ongewisse uitkomst van een tegen [H] te voeren procedure vrij stond om van verdere aansprakelijkstelling van [H] af te zien”, niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan dat niet valt in te zien hoe Rabobank zonder dat zij deugdelijk onderzoek had gedaan naar de aansprakelijkheid van [H] – zoals in cassatie het uitgangspunt is – kon menen dat de uitkomst van een procedure tegen [H] ongewis was. Dit met [eisers] afgesproken onderzoek had Rabobank, ook blijkens vaststellingen van het hof, immers nu juist moeten verrichten om de kans van slagen van een procedure tegen [H] te bepalen.
subonderdeel 3Aklaagt [eisers] dat de verwerping door het hof van het beroep op rechtsverwerking niet toereikend is gemotiveerd, aangezien er een tegenstrijdigheid bestaat tussen wat het hof in het tussenarrest aan deze verwerping ten grondslag legt en wat het hof in het eindarrest overweegt. Daartoe voert [eisers] aan dat het hof:
subonderdeel 3Bklaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 7.3.2 (zevende zin) eindarrest onbegrijpelijk is, omdat het hof in het tussenarrest niet heeft geoordeeld dat [eisers] haar standpunt ter zake onvoldoende heeft onderbouwd, maar juist in het midden heeft gelaten of Rabobank deze verplichting (serieus) is nagekomen, omdat het hof dit niet van belang achtte voor zijn beslissing op het rechtsverwerkingsverweer.
subonderdeel 4Aklaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.4 tussenarrest dat zij niet heeft bestreden dat Rabobank (enig) onderzoek heeft verricht naar de verhaalsmogelijkheden op [H] , onbegrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan, onder verwijzing naar ingenomen stellingen in eerste aanleg en hoger beroep en de daaraan door [eisers] verbonden conclusie als gememoreerd in het subonderdeel, [48] dat dit betoog niet anders kan worden begrepen dan dat [eisers] wel degelijk betwistten dat Rabobank (enig) onderzoek heeft gedaan naar de verhaalsmogelijkheden van [H] .
onderdeel 4(4B en 4C) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdeel 4Bklaagt [eisers] dat het hof (in het bijzonder) in rov. 7.3.2 eindarrest, ten onrechte bij [eisers] de stelplicht en bewijslast legt ter zake het door Rabobank niet nakomen van haar verplichting om onderzoek te doen naar [H] . Daartoe voert [eisers] aan dat Rabobank zich immers beroept op de rechtsgevolgen (kortweg: geen rechtsverwerking) van haar stelling dat zij haar afspraak met [eiser 1] om (serieus) onderzoek te doen naar [H] wél is nagekomen; althans dat het hof de stelplicht en bewijslast op dit punt om redenen van redelijkheid en billijkheid bij Rabobank had moeten leggen, nu de relevante feiten en omstandigheden geheel binnen het domein van Rabobank liggen. [54]
subonderdeel 4Cklaagt [eisers] dat het hof met zijn oordeel in rov. 7.3.2 eindarrest (en volgens het hof ook al in het tussenarrest), dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat Rabobank haar onderzoeksplicht heeft geschonden, te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eisers] Althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de stellingen van [eisers] Daartoe voert [eisers] aan dat zij in de kern heeft gesteld dat Rabobank op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt welk onderzoek zij dan zou hebben gedaan en in het bijzonder ook geen stukken van het door haar beweerde onderzoek heeft overgelegd. Niet valt in te zien wat [eisers] ter zake nog meer had moeten/kunnen stellen. De feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat Rabobank, zoals zij stelt, wél onderzoek heeft gedaan naar [H] , bevinden zich immers in het domein van Rabobank.
subonderdeel 5Aklaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.5 (eerste drie zinnen) tussenarrest, inhoudend “dat [eiser 1] niet onredelijk is benadeeld doordat Rabobank hem alsnog heeft aangesproken onder de borgtochtovereenkomst”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de benadeling die volstaat voor het aannemen van rechtsverwerking, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan dat de omstandigheid dat Rabobank niet gehouden was om (na onderzoek naar de verhaalbaarheid van haar schade op [H] ook daadwerkelijk) tot aansprakelijkstelling van [H] over te gaan, immers niet wegneemt dat [eiser 1] er belang bij had dat Rabobank wél eerst haar afspraak nakwam om (serieus) te onderzoeken of zij haar schade op [H] kon verhalen. Doordat Rabobank deze afspraak niet is nagekomen, zoals in cassatie het uitgangspunt is, maar [eiser 1] zonder meer heeft aangesproken, heeft [eiser 1] de kans gemist dat onderzoek zou hebben uitgewezen dat Rabobank haar schade volledig op [H] kon verhalen en Rabobank dit ook daadwerkelijk zou hebben gedaan, in welk geval de claim op [H] zou voorgaan.
subonderdeel 5Bklaagt [eisers] dat het oordeel in rov. 3.7.5 (vierde zin) tussenarrest, inhoudend “dat niet zou zijn in te zien dat de verjaring van de vordering van Rabobank op [H] de positie van [eiser 1] onherstelbaar en onredelijk heeft benadeeld”, niet begrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan dat de overweging van het hof dat [eiser 1] met [H] een schikking heeft getroffen, immers niet wegneemt dat [eiser 1] thans wel door Rabobank onder de borgtocht wordt aangesproken, waar dit mogelijk niet het geval zou zijn geweest indien Rabobank haar afspraak om, kort gezegd, onderzoek te doen naar [H] deugdelijk zou zijn nagekomen. Hierdoor is [eiser 1] onmiskenbaar in een ongunstiger positie komen te verkeren.
NJ2006/96, rov. 3.5; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3606,
NJ2016/29, rov. 4.2)”.
ten behoeve vande normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap, maar ook (b) moet worden aangegaan
inde normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. [73] Betreft de rechtshandeling het aangaan van een geldlening, [74] dan ziet:
onderdelen 6 t/m 8lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
onderdeel 6klaagt [eisers] dat het hof in rov. 3.9.2 eindarrest ten onrechte aanneemt dat de omstandigheid, dat de financiering van [C] Holding in overeenstemming was met haar statutaire doelstelling en overeenkomstig dit doel werd aangewend, meebrengt dat de financiering in beginsel als onderdeel van de normale bedrijfsvoering van [C] Holding kan worden aangemerkt. Daartoe voert [eisers] aan dat niet, ook niet in beginsel, bepalend is voor de beoordeling of sprake is van een rechtshandeling die is verricht ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW Pro of die rechtshandeling in overeenstemming is met de doelstelling van de vennootschap, maar of de financiering naar haar aard en/of risico niet afwijkt van wat bij de
feitelijkeuitoefening van het bedrijf van de voorliggende vennootschap gangbaar en gebruikelijk is. Volgens [eisers] wreekt dit onjuiste uitgangspunt zich onder meer concreet waar het hof, in rov. 3.9.4 tussenarrest, op grond van de statutaire doelstelling van [C] Holding het verweer van [eisers] verwerpt dat sprake was van een financiering (niet ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening, maar) ten behoeve van een eenmalige grote investering. Juist bij financieringen ten behoeve van een dergelijke transactie is van belang om na te gaan of deze wel vallen onder de – feitelijke, daadwerkelijke – bedrijfsuitoefening.
onderdeel 7klaagt [eisers] dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door op grond van de enkele statutaire doelomschrijving van [C] Holding tot uitgangspunt te nemen dat de financiering in beginsel kan worden aangemerkt als onderdeel van de normale bedrijfsuitoefening van [C] Holding en vervolgens, in het tweede deel van rov. 3.9.4 tussenarrest, nog slechts te onderzoeken of het kredietrisico van de financiering aanleiding gaf om van dit uitgangspunt af te wijken. Daartoe voert [eisers] aan dat de doelomschrijving van [C] Holding immers juist was gewijzigd in het kader van een ingrijpende verandering in de bedrijfsuitoefening van (tot voor kort) [B] B.V., te weten “haar omvorming van advocatenpraktijk tot houdstermaatschappij van transportondernemingen (de MBI)”. Ook [eiser 1] zelf wisselde hierbij van professie en werd van advocaat transportondernemer. [C] Holding sloot de financiering waarvoor [eiser 1] zich borg stelde ook juist ten behoeve van deze ingrijpende wijziging in haar bedrijfsuitoefening. “Gelet op een en ander” kon het hof niet zonder meer tot uitgangspunt nemen dat (afgezien van het kredietrisico) de – nieuwe – doelomschrijving van [C] Holding volstond voor de invulling van haar normale bedrijfsuitoefening, maar het had in zijn oordeel ook de feitelijke bedrijfsuitoefening van [C] Holding “tot aan de MBI en [eiser 1] ’ daarmee samenvallende ‘carrièreswitch’ kenbaar moeten betrekken”. Deze omstandigheden wijzen er immers op dat de vennootschap de financiering juist sloot teneinde ingrijpend af te wijken van haar normale bedrijfsuitoefening.
onderdeel 8klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof in rov. 3.9.4 tussenarrest, inhoudend “dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat ten tijde van het aangaan van de financiering sprake was van een verhoogd kredietrisico”, niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voert [eisers] aan dat zij – in zoverre onbetwist – erop heeft gewezen dat [C] Holding zich met de financiering dieper dan tot dan toe in de schulden stak, alsmede dat de aard (de management buy in) en de omvang van de financiering (daarom) meebrachten dat niet gesproken kan worden van het aantrekken van krediet in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Zij heeft ook toegelicht dat er een verhoogd kredietrisico was, omdat sprake was van een nieuw management, Rabobank een grote hoeveelheid zekerheden heeft moeten bedingen en dat uit het sluiten van de “Borgstelling MKB-kredieten” blijkt dat [C] Holding een moeilijk financierbare debiteur was. Deze stellingen duiden erop dat het risico dat [C] Holding de lening niet zou kunnen terugbetalen (en Rabobank daarom de borgstelling zou moeten uitwinnen) groter was dan bij normaal bankkrediet, waarvoor de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW Pro is bedoeld. Dit wordt niet anders doordat (Rabobank ervan mocht uitgaan dat) de financiering op zichzelf verantwoord was en sprake was van reëel zicht op continuïteit, zoals het hof aan het eind van rov. 3.9.4 tussenarrest overweegt.
ten behoeve vande normale uitoefening van het bedrijf van [C] Holding, maar ook is aangegaan
inde normale uitoefening van het bedrijf van [C] Holding, waarmee dit binnen het toepassingsbereik van art. 1:88 lid 5 BW Pro valt en kan worden gezegd dat [eiser 1] met de borgstelling zekerheid heeft verschaft ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van [C] Holding. [97] Dit is in lijn met nrs. 3.17-3.19. De rov. 3.9.2-3.9.4 tussenarrest komen erop neer dat het hof, mede aan de hand van stellingen van partijen en uitgaande van het moment van aangaan van de financieringsovereenkomst (wat dezelfde dag was als het aangaan van de borgtochtovereenkomst), [98] uiteenzet waarom het van oordeel is dat in de gegeven feiten en omstandigheden het aangaan van de financieringsovereenkomst behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf van [C] Holding plachten te worden verricht als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW Pro (zoals dat vervolgens in rov. 3.9.5 tussenarrest tot uitdrukking komt). Daarin ligt onder meer besloten dat op 25 januari 2008:
onderdeel 7wijs ik nog op het volgende. De eerste zin van het onderdeel (evenals de voorlaatste zin voor de komma) gaat uit van een verkeerde lezing van het tussenarrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Het is immers evident, zoals hiervoor uiteengezet, dat de overwegingen van het hof in rov. 3.9.2 tussenarrest (evenals in rov. 3.9.4 (eerste drie zinnen) tussenarrest) niet slechts stoelen op “de enkele statutaire doelomschrijving van [C] Holding”. Het hof onderkent bijvoorbeeld wel degelijk ook de voorgeschiedenis van [C] Holding als voormalige praktijkvennootschap van [eiser 1] , maar hoefde daarmee bij de beoordeling van het meer subsidiaire verweer van [eisers] en de in dat verband centraal staande vraag als geformuleerd in rov. 3.9.2 (eerste alinea) tussenarrest niet meer of anders te doen in rov. 3.9.2-3.9.4 tussenarrest dan het doet, zoals volgt uit nrs. 3.17-3.19, het voorgaande en het partijdebat. Voor zover het onderdeel verwijst naar stellingen van [eisers] in de gedingstukken, geldt dat het hof daarop afdoende respondeert in rov. 3.9.2-3.9.4 tussenarrest. [109] Voor zover het onderdeel aanvoert (voorlaatste zin na de komma, en slotzin) dat, kort gezegd, [C] Holding de financieringsovereenkomst juist sloot “teneinde ingrijpend af te wijken van haar normale bedrijfsuitoefening”, ziet het wederom voorbij aan het hiervoor uiteengezette gesternte waaronder de financieringsovereenkomst en de borgtochtovereenkomst zijn gesloten op 25 januari 2008, wat in het onderhavige geval dus het door partijen (en de feitenrechter) te hanteren peilmoment vormde bij beantwoording van de vragen (met inachtneming van dát gesternte) of [de echtgenote van eiser 1] voor de borgstelling door [eiser 1] toestemming diende te verlenen en derhalve of kan worden vernietigd op de voet van art. 1:89 BW Pro wegens het ontbreken van die toestemming.
onderdeel 8wijs ik nog op het volgende. Hetgeen in de tweede zin van het onderdeel wordt opgemerkt, betrekt het hof in rov. 3.9.3 en 3.9.4 (eerste drie zinnen) tussenarrest. Gelet op hetgeen het hof overweegt en op het voorgaande, hoefde het hof niet nader te onderbouwen waarom van het bedoelde “uitzonderlijk karakter” geen sprake was. [110] Dat het hof dit niet betrekt in het kader van de vraag of sprake was van een verhoogd kredietrisico is niet onbegrijpelijk, nu dat in de vindplaatsen in de gedingstukken waarop het onderdeel hier wijst [111] evenmin aan de orde was, en het hof dat in ieder geval niet aldus had hoeven te verstaan. [112] Hetgeen in de derde zin van het onderdeel wordt opgemerkt, bevat geen verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken. [113] Wat betreft die zin en het vervolg van het onderdeel valt overigens te wijzen op hetgeen het hof overweegt in rov. 3.9.4 (vierde, vijfde en zesde zin) tussenarrest. Dit is geenszins onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat het hof hier mocht uitgaan van de situatie per 25 januari 2008, [114] dat banken in het kader van te verstrekken geldleningen nu eenmaal zekerheden plegen te bedingen met een waarde die het bedrag van de betreffende financiering benadert of overstijgt, dat een gebrek aan ‘onderpand’ zoals gebouwen of machines om voldoende financiering aan te trekken (of gebruikmaking van de Borgstelling-MKB-kredieten) zich niet automatisch vertaalt in een verhoogd kredietrisico, [115] dat rov. 3.9.4 (zesde zin) tussenarrest in cassatie niet wordt bestreden, en dat het niet zo is dat “de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW Pro” is beperkt tot “normaal bankkrediet” als kennelijk bedoeld in het subonderdeel. [116]
onderdeel 6wijs ik nog op het volgende. Het onderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het tussenarrest, en mist daarmee feitelijke grondslag, nu het hof niet oordeelt in rov. 3.9.2 en 3.9.4 (tweede zin) tussenarrest – anders dan het onderdeel veronderstelt – dat (in beginsel) bepalend is voor de beoordeling of sprake is van een rechtshandeling die is verricht ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW Pro, of die rechtshandeling in overeenstemming is met de statutaire doelstelling van de vennootschap. Het hof betrekt immers bij de hier relevante normale bedrijfsuitoefening van [C] Holding in 2008 dat haar vigerende statutaire doel (als in 2007 gewijzigd specifiek met het oog op (de realisatie van) de management buy in) onlosmakelijk verbonden is met haar vigerende functie als hét ‘vehikel’ van [eiser 1] en [betrokkene 1] in het kader van (de realisatie van) de management buy in, gericht op het aantrekken van financiering voor het verwerven van de aandelen in vennootschappen in de transportsector behorende tot de [A] -groep (waarin Rabobank met de financieringsovereenkomst heeft voorzien) en het vervolgens verwerven van die aandelen, gevolgd door het voeren van het management van deze transportondernemingen. Daarmee hanteert het hof geen onjuist uitgangspunt als bedoeld in het onderdeel, en ís het hof juist nagegaan of de financieringsovereenkomst ten tijde van het aangaan daarvan viel onder “de – feitelijke, daadwerkelijke – bedrijfsuitoefening” van [C] Holding.
onderdeel 9klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof (naar ik begrijp) in rov. 7.4.3 t/m 7.4.7 eindarrest, inhoudend “dat de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard omdat, kort gezegd, de verjaringstermijn daarvan is verlengd”, in strijd is met art. 24 Rv Pro dan wel de grenzen van de rechtsstrijd te buiten gaat, althans in strijd is met de tweeconclusieregel. Daartoe voert [eisers] aan dat Rabobank zich immers niet vóórdat het debat in hoger beroep na de memoriewisseling was gesloten, erop heeft beroepen dat de verjaring van haar vordering was verlengd. Integendeel; de gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat Rabobank zich tot dan toe op het standpunt stelde dat voor haar vordering op [C] Holding de normale (niet verlengde) verjaringstermijn gold, maar dat de verjaring tijdig was gestuit doordat de curator in het faillissement van [C] Holding haar vordering had erkend. Rabobank ging er bovendien vanuit dat een nagekomen bate bij [C] Holding feitelijk uitgesloten was en dat dus definitief vaststond dat [C] Holding niet meer kon nakomen, zodat het vervolgen van de hoofdvordering zinloos was. Ook deze stelling is onverenigbaar met verlenging van de verjaring op de grond dat de vereffening in faillissement wellicht moet worden geacht te zijn blijven voortduren vanwege een mogelijk nakomende bate.
onderdeel 10klaagt [eisers] dat het oordeel van het hof (naar ik begrijp) in rov. 7.4.3 t/m 7.4.7 eindarrest, inhoudend dat “de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe voert [eisers] aan dat, anders dan het hof oordeelt, de art. 36, 137c, 137g, 193 en 194 Fw niet meebrengen dat een lopende verjaringstermijn doorloopt zolang de vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van art. 194 Fw Pro. Althans niet voor vorderingen die niet reeds zijn geplaatst op de in art. 194 Fw Pro genoemde uitdelingslijsten, zoals ten aanzien van de vordering van Rabobank op [C] Holding niet in geschil is. Art. 36 Fw Pro verlengt de verjaringstermijn voor het geval de daar bedoelde rechtsvorderingen aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan. De verjaringstermijn van de vordering van Rabobank op [C] Holding is langer dan zes maanden na het einde van het faillissement van [C] Holding afgelopen (zie rov. 3.10.4 tussenarrest). Die vordering is daarom verjaard. Dit wordt niet anders door de enkele – hier door Rabobank bovendien uitgesloten, zie onderdeel 9 – mogelijkheid dat een nakomende bate alsnog aanleiding zou geven tot een verificatievergadering (art. 137g Fw). De Faillissementswet bevat geen uitzondering op de algemene verjaringsregeling voor vorderingen die dan eventueel alsnog ter verificatie worden ingediend. Aan een dergelijke uitzondering zou ook geen behoefte bestaan, omdat de schuldeisers bij vereffening in faillissement worden beschermd door de waarborgen van de Faillissementswet, waaronder ingeval van nagekomen baten uitdeling aan de schuldeisers op de in art. 194 Fw Pro genoemde uitdelingslijsten.
NJ1985/69, A-G]. Of dit een gelukkig stelsel is, kan ernstig worden betwijfeld. Vooreerst is het zonderling dat ondanks het einde van het faillissement het faillissementsbeslag voortduurt. Het beslag wordt voorts eerst effectief na bevel van de Rb. De gedefungeerde curator kan niet uit eigen hoofde optreden; zijn heroptreden is afhankelijk van het bevel van de Rb. De situatie voordat het bevel is gegeven, is weinig duidelijk. Ik zou willen aannemen dat schuldeisers – niet alleen oude schuldeiser, doch ook een schuldeiser wiens vordering eerst na het einde van het faillissement ontstaan – verhaal op de ‘baten van de boedel’ kunnen uitoefenen. Vgl. Hof 's‑Gravenhage 25 febr. 1943, NJ 1943, 417. De HR haalt echter in dit verband een passage in de memorie van toelichting aan, dat de schuldenaar wordt geacht van zulk een bate ‘geen ogenblik het beheer en de beschikking te hebben gehad’. Mijns inziens treedt dit ‘niet geacht worden’ eerst in na het bevel van de Rb.; vermogensbestanddelen die voor het bevel zijn uitgewonnen, zijn geldig uitgewonnen. Onder ‘baten van de boedel’ zal moeten worden verstaan goederen – vermogensbestanddelen – van de boedel. (…) De rechtstoestand die ontstaat na het bevel van de Rb. wordt in de literatuur wel aangeduid als heropening van het faillissement. Mijns inziens is deze term in dit verband minder juist. Heropening van het faillissement vindt plaats bij ontbinding van een akkoord ingevolge art. 167 Fw Pro. De debiteur wordt ingevolge het vonnis opnieuw in staat van faillissement gebracht. In het geval van art. 194 vindt Pro dit niet plaats; de curator heeft slechts tot taak de vereffening van een bepaald vermogensbestanddeel”. [142]
[…] /Rabobank-arrest van de Hoge Raad [153] als geciteerd in rov. 7.4 eindarrest. Ook ik zie geen goede grond om met betrekking tot (mogelijke) verjaring van rechtsvorderingen van schuldeisers van een gefailleerde rechtspersoon in het tijdvak dat die rechtspersoon na het einde van het faillissement is opgehouden te bestaan wezenlijk onderscheid te maken al naar gelang het hoofdgevalstype: [154]
niet meer bestaat) om die reden uit te gaan van een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW Pro. [157] Dit wordt onderstreept door art. 2:23c lid 2 BW, waaruit volgt dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, er een verlengingsgrond is als bedoeld in art. 3:320 BW Pro ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon. Hier is de verlengingsgrond het hebben opgehouden te bestaan van de rechtspersoon. [158]
[…] /Rabobank-arrest gegeven uitleg van art. 2:23c lid 2 BW ook in de onder (b) bedoelde gevallen, voor zover dat past in het stelsel van zowel de Faillissementswet als Boek 2 BW. [162] Ik doel op de volgende overweging: [163]
voor zoverop basis daarvan geldt dat, nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan vanwege de beëindiging van de vereffening in faillissement, een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend. Dit brengt dan evenzeer mee dat de heropening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn, en dat om dezelfde reden een verjaringstermijn van een vordering op de niet meer bestaande rechtspersoon niet behoeft te worden gestuit gedurende de periode dat de rechtspersoon niet meer bestaat. In de onder (b) bedoelde gevallen – anders dan in de onder (a) bedoelde gevallen – geschiedt die heropening van de vereffening in beginsel niet op de voet van art. 2:23c lid 1 BW, maar op de voet van art. 194 Fw Pro. [164] Zie nr. 3.31. Dit laatste volgt mede uit art. 2:23a lid 5 BW, dat bepaalt dat art. 2:23a lid 1-4, 2:23b en 2:23c BW niet van toepassing zijn “op vereffening in faillissement” (hetzelfde zal gelden voor art. 2:23 BW Pro). Gelet ook op de systematiek van de heropening van de vereffening in art. 2:23c lid 1 BW, die spoort met de regeling in art. 194 Fw Pro met betrekking tot niet vereffende baten voor het geval de rechtspersoon is ontbonden door insolventie na faillietverklaring, [165] valt aan te nemen dat ook bij heropening van de vereffening op de voet van art. 194 Fw Pro, in de terminologie van art. 2:23c lid 1 BW, de rechtspersoon herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. [166]
[…] /Rabobank-arrest gegeven uitleg van art. 2:23c lid 2 BW, [170] en niet meer vergt dan een kleine en passende verlenging daarvan naar nauw gerelateerde gevallen, waardoor ter zake een wenselijke uniformering ontstaat [171] en daarvoor uit dezelfde (rechtspersonenrechtelijke) bron kan worden geput;