Conclusie
3.Het eerste middel
NJ2019/298 m.nt. N. Rozemond, is de eerdere jurisprudentie als volgt samengevat:
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.” [4]
20.Het tweede en derde middel
a contrariomag worden afgeleid dat in alle andere gevallen een taakstraf moet worden opgelegd.
uitgesteldebetalingsregeling voor een bepaalde duur, waarmee de “verstrekkende consequenties” voor de verdachte – voor zover die zich al dreigen voor te doen - kunnen worden afgewend. Ik acht het niet onaannemelijk dat het CJIB in het onderhavige geval akkoord zou gaan met een verzoek om een uitgestelde betalingsregeling voor de duur van de beklagprocedure.
vierde middelklaagt over schending van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, zoals dat is neergelegd in art. 6, eerste lid, EVRM doordat het cassatieberoep is ingesteld op 5 maart 2018 en de stukken van het geding op 1 februari 2019 op de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Deze overschrijding van de inzendtermijn dient in onderhavig geval te leiden tot vermindering van de opgelegde, maar nog niet volledig ten uitvoer gelegde gevangenisstraf. Vermindering van de opgelegde geldboete is in dit geval niet aangewezen nu het bedrag gelijk is aan het onder de verdachte in beslag genomen geld waarvan het hof heeft vastgesteld dat het afkomstig is van witwassen. [22]