ECLI:NL:HR:2011:BP5361
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vuistregels redelijke termijn en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte, die in voorlopige hechtenis zat, klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, met name vanwege te late inzending van stukken door het hof en een vertraagde uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde de geldende vuistregels uit het arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578) omtrent de redelijke termijn. Deze regels bepalen dat bij overschrijding van zowel de inzendingstermijn als de termijn voor uitspraak slechts de langste overschrijding in aanmerking wordt genomen. De Hoge Raad zag geen aanleiding om deze regels aan te passen, mede omdat de wetgever het vraagstuk van schadevergoeding wegens termijnoverschrijding onderzoekt.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Op grond hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf van elf jaar verminderd tot tien jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak onderstreept het belang van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid bij de toepassing van het redelijke termijn-criterium in strafzaken, en bevestigt de duurzaamheid van de bestaande jurisprudentie op dit punt.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot tien jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.