Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Juridisch kader
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 januari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een taakstraf kan worden opgelegd aan een verdachte die woonachtig is in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland. De verdachte was veroordeeld voor diefstal en poging tot diefstal en werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarbij het hof geen taakstraf oplegde vanwege de buitenlandse woonplaats van de verdachte.
Namens de verdachte werd aangevoerd dat het vervullen van een taakstraf lastig zou zijn vanwege haar medische conditie en werk, en werd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. De Hoge Raad overwoog dat de keuze van strafsoort binnen de discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter valt en dat het enkele feit dat de verdachte in een andere EU-lidstaat woont niet in de weg staat aan het opleggen van een taakstraf.
De Hoge Raad benadrukte dat het toepasselijke juridische kader, waaronder de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging sancties (WETS) en het Kaderbesluit 2008/947/JBZ, de mogelijkheid biedt om taakstraffen in andere lidstaten ten uitvoer te leggen. Wel mag de rechter meewegen of een reëel vooruitzicht bestaat dat de taakstraf ook daadwerkelijk in de andere lidstaat kan worden uitgevoerd.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU en verwierp het cassatieberoep. Hiermee werd bevestigd dat de strafoplegging mede afhankelijk is van meerdere factoren, waaronder de ernst van het feit en de persoon van de verdachte, en dat de buitenlandse woonplaats niet per definitie een taakstraf uitsluit.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van zes weken zonder taakstraf.