ECLI:NL:HR:2007:BA7663

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02096/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt motivering en draagkracht bij geldboete en gevangenisstraf in wapen- en drugszaken

De verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het Hof legde een gevangenisstraf van vier maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van tienduizend euro, subsidiair tweehonderd dagen hechtenis.

De verdachte stelde in hoger beroep en cassatie onder meer dat de opgelegde geldboete onvoldoende was gemotiveerd en dat rekening gehouden moest worden met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn thuissituatie en werkloosheid. Het Hof had echter expliciet rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte bij het bepalen van de boete, conform artikel 24 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de boete naar behoren had gemotiveerd en dat het ontbreken van een draagkrachtverweer in feitelijke aanleg door de verdediging meewoog. Het cassatieberoep faalde derhalve en het vonnis van het Hof bleef in stand. De Hoge Raad bevestigde hiermee de rechtmatigheid van de strafoplegging en de motivering daarvan.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de opgelegde gevangenisstraf en geldboete.

Uitspraak

25 september 2007
Strafkamer
nr. 02096/06
ZK/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2005, nummer 22/003729-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 21 juli 2004 - de verdachte ter zake van 1. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot het betalen van een geldboete van tienduizend euro, subsidiair tweehonderd dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Goudswaard, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over de motivering van de opgelegde geldboete.
3.2.1. De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd:
"Ik verzoek het hof evenwel om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen nu ik een dergelijke straf niet kan combineren met mijn thuissituatie.
(...)
Omtrent mijn persoonlijke omstandigheden kan ik mededelen dat ik in 2000 acht maanden gewerkt heb in een fabriek die vervolgens failliet ging. Momenteel heb ik geen werk."
3.2.2. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep onder andere het volgende aangevoerd:
"Het hoger beroep is gericht tegen de strafmodaliteit.
(...)
Mede gelet op de gezondheid van zijn kinderen verzoek ik het hof om geen gevangenisstraf - maar een taakstraf - op te leggen."
3.2.3. Het Hof heeft, zoals hiervoor onder 1 vermeld, de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van tienduizend euro, subsidiair tweehonderd dagen hechtenis. Ter motivering van de strafoplegging heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, overwogen:
"Op te leggen straf of maatregel
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
(...)
Het hof acht, mede gelet op de omstandigheden dat de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen gezien kan worden als een handelsvoorraad, voldoende gronden aanwezig om daarnaast aan de verdachte een aanzienlijke geldboete op te leggen.
(...)
Het hof is - alles overwegende -, mede gelet op de generale en speciale preventie, van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur en een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen."
3.3. Nu het Hof in zijn arrest heeft overwogen dat bij de vaststelling van de geldboete rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte, zoals voorgeschreven in art. 24 Sr Pro, is voldaan aan de in die bepaling gestelde eis (vgl. HR 2 juli 1990, LJN AB8051, NJ 1991, 67). De boete is voorts naar behoren gemotiveerd, in aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg door de verdediging geen draagkrachtverweer is gevoerd.
3.4. Het middel faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 september 2007.