Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
31 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de vordering tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.127.117,70 werd afgewezen omdat daarop conservatoir beslag was gelegd in plaats van strafvorderlijk beslag.
De Hoge Raad herhaalt de eerdere rechtspraak dat een conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv niet verhindert dat een voorwerp verbeurd wordt verklaard op grond van artikel 33a Sr. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat verbeurdverklaring niet mogelijk was omdat het beslag niet strafvorderlijk was.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging en beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige beroepen worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof inzake de verbeurdverklaring en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.