Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
Euro Interbank Offered Rate.Dat is het rentetarief waartegen banken die tot het Euribor-panel behoren, leningen - gedenomineerd in euro’s en met een bepaalde looptijd - aanbieden aan andere tot dat panel behorende banken. Het 1-maands Euribor tarief is sinds het najaar van 2008 vooral gedaald.
Verklaren de volgende wijzigingen te zijn overeengekomen
De bank behoudt zich het recht voor de opslag aan te passen(onderstreping toegevoegd, hof). (...)
0,70%
Geldleningen met variabele rente gebaseerd op Euribor
vermeerderd met een opslag. Dit rentepercentage wordt afgerond op twee cijfers achter de komma. Het door de Schuldenaar te betalen bedrag zal bij elke rente wijziging worden herberekend onder handhaving van de looptijd.
De Bank is bevoegd de opslag te wijzigen. Over die wijziging zal zij de Schuldenaar op voorhand schriftelijk informeren.” (onderstrepingen toegevoegd, hof).
4 Rente
vermeerderd met een opslag. Dit rentepercentage wordt afgerond op drie cijfers achter de komma. (...)
De Bank is bevoegd de opslag te wijzigen. Over die wijziging zult u op voorhand schriftelijk geïnformeerd worden. (onderstrepingen toegevoegd, hof)
De bank mag deze opslag altijd veranderen. Dit laten wij u tevoren weten.(onderstreping toegevoegd, hof)”
3.Procesverloop
,maakt het informatieverzuim voor het sluiten van de overeenkomst niet goed. Die omstandigheid is pas bij punt 2.b), eerste alinea van de Bijlage aan de orde (rov. 3.10, 8e t/m 9e volzin).
4.Juridisch kader
. [20]
meeweegtin het oneerlijkheidsoordeel. Hiermee strookt dat, zoals het HvJEU heeft overwogen, de enkele intransparantie van het beding
kanleiden tot het oordeel dat het beding oneerlijk is. [48] Het gewicht dat bij de beoordeling van de oneerlijkheid aan een bepaalde omstandigheid toekomt, hangt immers af van de omstandigheden van het geval.
Verein für Konsumenteninformation/Amazonvan het HvJEU maakt Pavillon op dat dit slechts anders is als het transparantiegebrek tevens een aanzienlijke verstoring van het contractsevenwicht in strijd met de goede trouw teweegbrengt, zoals in geval van misleiding over een wettelijk recht. Dan wordt de transparantietoets (niet, zoals veelal, aan het goede-trouwcriterium, maar) aan de verstoringstoets geschakeld: een recht dat men niet kan kennen, heeft men ook niet, en een contractuele plicht waarvan men geen kennis kan nemen, is om die reden onredelijk bezwarend. Volgens Pavillon biedt deze constructie uitkomst bij de aanpak van verrassende bedingen en bij de toetsing van niet-transparante kernbedingen aan het verstoringscriterium. De constructie botst evenwel met het inhoudelijk karakter van de oneerlijkheidstoets en lijkt slechts gerechtvaardigd in geval van een ernstige schending van het transparantievereiste. Indien een beding naar zijn inhoud niet oneerlijk is omdat het de verstoringstoets doorstaat, dan kan het beding haars inziens niet (alsnog) op grond van strijd met het transparantievereiste als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. [58]
Invitelbetrof een beding waarmee de aanbieder van vaste telecomdiensten ongespecificeerde extra kosten bij de consument in rekening kon brengen wanneer de consument koos voor betaling per acceptgiro. [59] Over de oneerlijkheidstoets en het transparantiebeginsel overwoog het HvJEU dat, gelet op de punten 1, sub j en l, en 2, sub b en d, van de Bijlage bij de Richtlijn:
de redenen waarom of de manier waaropde met de te verstrekken dienst verbonden kosten worden aangepast,
gespecificeerd waren en of de consumenten over het recht beschikten om de overeenkomst te beëindigen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
duidelijke en begrijpelijke criteriade wijzigingen van de AV door een verkoper inzake de met de te verstrekken dienst verbonden kosten te voorzien.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
n het licht van alle bedingen in de algemene voorwaardenvan de consumentenovereenkomsten waarvan het betrokken beding deel uitmaakt, alsook in het licht van de nationale wettelijke regeling die de rechten en plichten bepaalt welke eventueel bovenop de rechten en plichten in de betrokken algemene voorwaarden gelden,
de redenen waarom of de wijze waaropde met de te verstrekken dienst verbonden kosten worden aangepast, op een duidelijke en begrijpelijke manier zijn gespecificeerd en of de consumenten, in voorkomend geval, het recht hebben om de overeenkomst te beëindigen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
RWEbetrof een beding dat een gasleverancier het recht gaf de gasprijs eenzijdig te wijzigen zonder precisering van de reden, de voorwaarden of de omvang van deze wijziging. [60] Over de oneerlijkheidstoets en het transparantiebeginsel overwoog het HvJEU, onder meer verwijzend naar de hiervoor geciteerde overwegingen van het arrest
Invitel:
kan het verzuim om vóór sluiting van de overeenkomst daarover informatie te verstrekken in beginsel niet worden goedgemaakt door de omstandigheid dat de consumenten in de loop van de uitvoering van de overeenkomst redelijke tijd vooraf zullen worden geïnformeerd over de aanpassing van de kosten en over hun recht de overeenkomst te ontbindenmochten zij deze wijziging niet wensen te aanvaarden.
Tegenover het rechtmatige belang van de verkoper om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden staat het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijnen om in dat geval over informatie te beschikken opdat hij op de meest geëigende wijze op zijn nieuwe situatie kan reageren.
dat de mogelijkheid voor de consument om de overeenkomst op te zeggen, niet slechts een formeel opzeggingsrecht is, maar ook daadwerkelijk kan worden benut.Dat is niet het geval wanneer de consument, om redenen die verband houden met de wijze van uitoefening van het opzeggingsrecht of met de voorwaarden van de betrokken markt, niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om van leverancier te veranderen of wanneer hij niet naar behoren en tijdig op de hoogte werd gebracht van de op til zijnde wijziging, waardoor hij aldus de mogelijkheid verliest om de berekeningswijze te controleren en in voorkomend geval van leverancier te veranderen. In dit verband moet met name rekening worden gehouden met het gegeven of op de betrokken markt concurrentie heerst, de eventuele kosten die voor de consument verbonden zijn aan opzegging van de overeenkomst, het tijdsverloop tussen mededeling en toepassing van de nieuwe tarieven, de informatie die op het tijdstip van mededeling is verstrekt, en de kosten en de tijd om van leverancier te veranderen.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
Mateibetrof onder meer een beding dat de kredietgever de bevoegdheid gaf om eenzijdig het overeengekomen rentepercentage te wijzigen in geval van “grote schommelingen op de geldmarkt.” [61] Ten aanzien van het transparantievereiste overwoog het HvJEU onder meer:
van wezenlijk belang is te weten of in de leningsovereenkomst de reden voor en de bijzonderheden van het aanpassingsmechanismevan de rente en de verhouding tussen dat beding en andere bedingen inzake de vergoeding van de kredietgever, transparant zijn gespecificeerd, zodat een geïnformeerde consument op basis van
duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgendie er voor hem uit voortvloeien, kan voorzien (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 73).
op het eerste gezicht weinig transparante, criterium van „grote schommelingen op de geldmarkt”voor de consument voorspelbaar zijn, ook al is deze laatste uitdrukking op zich grammaticaal duidelijk en begrijpelijk.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
RWErov. 53). Daarom is bij de beoordeling van de transparantie en van de oneerlijkheid onder meer (vgl. het dictum in
Invitel) relevant dat het beding de redenen voor of de wijze van wijziging specificeert (vgl.
Invitelrov. 26 en 28,
Mateirov. 74-75) en, voor de beoordeling van de oneerlijkheid voorts of de consument bij wijziging een reële mogelijkheid heeft om de overeenkomst te beëindigen (vgl.
Invitelrov. 26 en
RWErov. 54). [62] Deze beëindigingsmogelijkheid houdt overigens ook verband met de informatieplicht van de ‘verkoper’; immers als de consument niet behoorlijk en tijdig ingelicht wordt, weet hij niet hoe de wijziging is berekend en weet hij ook niet of het verstandig is om te beëindigen. [63]
Invitelaf dat een wijzigingsbeding slechts aanvaardbaar is wanneer (geldige) gronden voor de wijziging in de overeenkomst worden genoemd en de consument een beëindigingsrecht heeft, behoudens indien een beding voldoet aan de uitzonderingsvoorwaarden van punt 2 van de Bijlage. [71] Mocht dit zijn bedoeld als een algemene maatstaf voor de beoordeling van wijzigingsbedingen, dan komt dat te rigide voor, omdat het HvJEU benadrukt dat de beoordeling afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval.
Invitelaf dat het beding onredelijk bezwarend is als er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat is voldaan aan de eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie. Omdat het beding over de wijziging van de opslag onvoldoende transparant is, is het onredelijk bezwarend (de commissie toetste daarom niet meer aan de verstoring van het contractuele evenwicht en goede trouw). [85]
Invitelin de rechtspraak van het HvJEU tot ontwikkeling is gekomen (ook al gaat het om een uitleg van de Richtlijn zoals deze altijd heeft gegolden), [86] stelt eisen aan de informatie die aan de consument wordt gegeven. Hoe specifiek die informatie kan of dient te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden. Dit geldt ook voor het gewicht dat een transparantiegebrek heeft in de beoordeling van de oneerlijkheid/onredelijk bezwarendheid van een beding.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
nr. 3.2) komt erop neer dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 6:233 onder Pro a BW en art. 6:238 lid 2 BW Pro, mede in verband met art. 3 t/m 5 Richtlijn, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd en (voorts) het transparantievereiste van art. 5 Richtlijn Pro onjuist heeft opgevat en toegepast. De onderdelen A t/m E worden in de
nrs. 3.3-3.7samengevat en in de
nrs. 4.1-4.69aangevuld en uitgewerkt.
nrs. 3.3-3.7) klaagt dat het hof een ontoelaatbaar eenzijdige invulling en toepassing heeft gegeven aan de oneerlijkheidstoets van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro. Het onderdeel wordt uitgewerkt in de subonderdelen
4.A.1-4.A.4(
nrs. 4.1-4.21).
nrs. 3.8-3.13) voert aan dat het hof een onjuiste invulling en toepassing heeft gegeven aan de transparantietoets van art. 5 Richtlijn Pro binnen de oneerlijkheidsmaatstaf van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro. Het onderdeel wordt uitgewerkt in de subonderdelen
4.B.1-4.B.5(
nrs. 4.26-4.49).
nrs. 3.14-3.17) betoogt dat het hof in (met name) rov. 3.10 bij zijn oneerlijkheidsoordeel aan de hand van (a) de vergelijking van de juridische positie van de leningnemers met en zonder Wijzigingsbedingen en (b) de fictieve onderhandelingstoets, ten onrechte geen aandacht besteed aan de in onderdeel 4.A bedoelde essentiële stellingen van ABN AMRO. Het onderdeel wordt uitgewerkt in
subonderdeel 4.C(
nrs. 4.50-4.57).
onderdeel D(
nrs. 3.18-3.19) miskent het hof in rov. 3.9, 3.11, 3.14 e.v., 3.19 en 3.24, de betekenis van de Bijlage bij de Richtlijn en van de punten j en 2.b.1 van die Bijlage. Het onderdeel wordt uitgewerkt in
subonderdeel 4.D(
nrs. 4.58-4.63).
nr. 3.20) klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 3.18, dat de toelichting van ABN AMRO ten aanzien van de gerechtvaardigdheid van de opslagverhogingen inconsistent is en over het onbesproken laten van essentiële stellingen van ABN AMRO over het gerechtvaardigd zijn van de opslagverhogingen. Het onderdeel wordt uitgewerkt in
subonderdeel 4.E (nrs. 4.64-4.69).
RWErov. 54), kan een oordeel over een bepaald wijzigingsbeding niet zonder meer worden getransponeerd naar een ander wijzigingsbeding in een andere context.
nrs. 4.1-4.5), samengevat, reageert het hof in rov. 3.8 t/m 3.24 niet kenbaar of toereikend op de stellingen van ABN AMRO over het omzettingsrecht en het beëindigingsrecht van de leningnemer en miskent in het bijzonder in rov. 3.11 dat het beëindigingsrecht relevant is voor het eerlijkheidsoordeel en niet slechts een rol speelt in punt 2.b.1 van de Bijlage bij de Richtlijn.
RWE(hiervoor in 4.27). [93] Het hof heeft hieraan voor het omzettingsrecht geen overweging gewijd en het punt voor het beëindigingsrecht in het midden gelaten (rov. 3.11, voorlaatste volzin).
nr. 4.4kennelijk klaagt) dat het verzuim om voor contractsluiting over de reden voor en de wijze van aanpassing van de opslag informatie te verstrekken, in beginsel niet kan worden goedgemaakt doordat de leningnemers kosteloos kunnen overstappen naar een andere bank.
RWEis bij de beoordeling van een wijzigingsbeding van wezenlijk belang dat (i) in de overeenkomst de reden voor en de wijze van aanpassing van de kosten transparant zijn gespecificeerd zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria wijziging van de kosten kan voorzien, en (ii) de consument het recht heeft de overeenkomst te beëindigen in geval van daadwerkelijke wijziging van de kosten (rov. 49).
RWEdat het verzuim om vóór contractsluiting aan de consument informatie te verstrekken over de reden voor en de wijze van aanpassing van de kosten en over zijn recht om de overeenkomst op te zeggen − het transparantiegebrek dus − in beginsel niet kan worden goedgemaakt door de consument in de loop van de overeenkomst hierover te informeren (rov. 51-52).
nr. 4.3) naar mijn mening terecht over de slotoverweging van rov. 3.11, dat het beëindigingsrecht pas aan de orde is bij punt 2.b, eerste alinea, van de Bijlage.
nrs. 4.6-4.10), samengevat, reageert het hof in rov. 3.9 t/m 3.13 niet kenbaar of toereikend op de stellingen van ABN AMRO over (i) legitimiteit en functionele noodzaak van de Wijzigingsbedingen en (ii) de noodzaak om deze open te formuleren.
nr. 4.10).
nrs. 4.11-4.17), samengevat, oordeelt het hof in rov. 3.10, 3.11 en 3.13 onjuist of ontoereikend gemotiveerd over de invloed van de tariefstelling als relevante factor bij de beoordeling van de Wijzigingsbedingen.
nrs. 4.11 sub a en 4.13aanvoert, heeft het hof de stelling van ABN AMRO dat het (theoretisch) alternatief voor een variabele opslag een hoger vaste opslag zou zijn geweest, niet alleen beoordeeld in het kader van de toets aan de goede trouw in rov. 3.10. Het hof beoordeelde deze stelling immers ook meer algemeen in het kader van de oneerlijkheidstoets, zoals blijkt uit rov. 3.11.
nr. 4.11 sub a en 4.12 sub (i)aangevoerde argument dat het omzettingsrecht de leningnemers de mogelijkheid bood om lang te kunnen profiteren van het laagste tarief.
nrs. 4.11 sub b en 4.14aanvoert, heeft het hof ook gereageerd op de stelling van ABN AMRO dat voor de leningnemer reeds bij aanvang een potentieel voordeel bestond dat een variabel tarief lager zou uitpakken dan een vast tarief.
nrs. 4.11 onder c, 4.12 onder (ii) en 4.15 en 4.16is dit oordeel rechtens onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
nr. 4.12 onder (ii)verwijst.
Constructora Principado(rov. 29), waarnaar het hof verwijst, volgt dat de enkele verklaarde “tegenprestatie” onvoldoende bewijs vormt dat de consument deze tegenprestatie ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Hieruit kan worden opgemaakt dat indien de gebruiker erin slaagt bewijs van de tegenprestatie te leveren, in die zin dat aangetoond wordt dat de consument de tegenprestatie daadwerkelijk heeft ontvangen, die tegenprestatie door de rechter kan worden meegewogen bij de oneerlijkheidsbeoordeling. [94] Aan het middel (
nr. 4.15) kan worden toegegeven dat hieruit niet volgt dat (reeds bij het aangaan van de overeenkomst) duidelijkheid is vereist over de precieze omvang van de tegenprestatie. Anderzijds kan daaruit naar mijn mening wel worden afgeleid, dat de rechter geen rekening behoeft te houden met een voordeel voor de consument indien dat voordeel door de rechter niet voldoende op waarde kan worden geschat. De rechtsklacht van nr. 4.15 faalt naar mijn mening.
nr. 4.16aanvoert, is dat oordeel naar mijn mening niet onbegrijpelijk in het licht van de grafiek in de memorie van grieven nr. 13. Blijkens die grafiek was in de periode 2005-2009, waarin de Euribor-hypotheken werden aangeboden aan nieuwe klanten, het Euribor-rentetarief inclusief opslag veelal lager dan het tarief voor een lening met een rentevaste periode van vijf of tien jaar, maar was dit soms anders. Het hof heeft hierin kennelijk onvoldoende aanknopingspunten gezien om het voordeel van een variabel tarief adequaat te kunnen afzetten tegen het alternatief van een lening met een rentevaste periode van een bepaalde, kortere of langere, duur. Dat is naar mijn mening niet onbegrijpelijk.
nrs. 4.11 sub d en 4.17aanvoert, heeft het hof bij de beoordeling van de oneerlijkheid van de Wijzigingsbedingen ook betrokken de stelling van ABN AMRO dat de leningnemers nog steeds het laagste tarief betalen en door het accepteren van onzekerheid over de tariefhoogte gemiddeld bezien veel goedkoper uit zijn dan wanneer zij kiezen voor een vaste rente.
nrs. 4.18-4.21), samengevat, houdt het hof niet kenbaar rekening met, althans reageert het in rov. 3.12 en 3.21 op onjuiste wijze op de stellingen van ABN AMRO over (a) de Nederlandse context waarbinnen wijzigingsbedingen worden beoordeeld, (b) de betekenis van de mogelijke uitoefeningstoets en (c) de impact op de financiële sector.
nrs. 4.18-4.19) strekt ertoe dat het hof bij de beoordeling van de oneerlijkheid van de Wijzigingsbedingen niet een zo grote betekenis mocht toekennen aan zijn bevinding dat de bedingen, naar de door het HvJEU sinds 2012 ontwikkelde maatstaven, onvoldoende transparant zijn. ABN AMRO heeft immers gesteld dat wijzigingsbedingen vanaf begin jaren negentig in beginsel geldig werden geacht door de Nederlandse wetgever. [95] In overeenstemming daarmee werd in de rechtspraktijk de nadruk gelegd op een uitoefeningstoetsing van deze bedingen. De bedingen waren ook toetsbaar aan de open norm van art. 6:233 sub a BW Pro, maar daarbij werd onder vigeur van de Richtlijn het accent gelegd op een materiële inhoudstoetsing [96] en speelde het transparantiegebod geen rol van betekenis, althans werd daaraan niet de sanctie van vernietigbaarheid verbonden. Het voorgaande moet mede worden gezien tegen de achtergrond dat afdeling 6.5.3 BW blijkens de wetsgeschiedenis rechtszekerheid beoogt voor gebruikers van bedingen in algemene voorwaarden.
de betekenis van de uitoefeningstoets voor de beoordeling van de oneerlijkheid
nr. 4.20) heeft ABN AMRO het bestaan in Nederland van een mogelijke uitoefeningstoets op de voet van art. 6:248 lid 2 BW Pro en het accent daarop in de wetsgeschiedenis en rechtspraak, aangevoerd als bijkomende factor in de oneerlijkheidsbeoordeling en verwerpt het hof dit betoog in rov. 3.12 op onjuiste gronden.
Aziz, waarin het HvJEU overwoog dat bij het antwoord op de vraag of een beding een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, ook relevant is om na te gaan in welke juridische situatie de consument verkeert gelet op de middelen waarover hij volgens de nationale regeling beschikt om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen. [102] Hiervan moet worden onderscheiden de regel dat de nationale rechter, die de oneerlijkheid van het beding eenmaal heeft vastgesteld, zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten toepassing te laten en er bijvoorbeeld niet mee mag volstaan om de hoogte van de ingevolge dat beding aan die consument in rekening gebrachte boete te matigen. [103]
nr . 4.21) dat het hof niet inhoudelijk ingaat op het betoog van ABN AMRO dat bij de oneerlijkheidsbeoordeling mede betekenis toekomt aan de bredere sectorale belangen, te weten de grote gevolgen van een a-contextuele, categorische toepassing van het transparantievereiste. Dit betoog was niet erop gericht dat het hof uitsluitend een uitspraak zou doen met werking voor de toekomst. Dat was achterhaald door het arrest
Naranjovan het HvJEU. [106]
Naranjowas gewezen, heeft zij bij pleidooi het bredere belang van de financiële sector betrokken op de beoordeling van de oneerlijkheid van de Wijzigingsbedingen. [108]
subonderdeel 4.B.1 (nrs. 4.22-4.25) geen klacht bevat. Sommige klachten betreffen in de kern de oordelen in rov. 3.8 en 3.9 over het transparantievereiste als zodanig. Andere klachten gaan vooral over het gewicht van het transparantiegebrek bij de oneerlijkheidstoets. Ik stel de bespreking van de eerst bedoelde klachten voorop. Gezien het slagen van subonderdeel 4.A.1, zal ik de laatst bedoelde klachten alleen bespreken waar dat nog nodig lijkt.
datniet is voldaan aan het transparantievereiste. Het hof heeft in zijn beoordeling van de oneerlijkheid niet afzonderlijk gewogen in welk(e) opzicht(en) de Wijzigingsbedingen niet voldoen aan het transparantievereiste. Voor het hof was dat kennelijk niet nodig.
welzouden moeten voldoen om, in de context van de Euribor-hypotheken, nog (net) voldoende transparant te zijn. Daarover heeft het hof geen oordeel gegeven.
subonderdeel 4.B.2(ii)(
nr. 4.30) miskent het hof in rov. 3.8 en 3.9 dat er in 2005-2009
geen gedragsregelbestond die de kredietverstrekker verplichtte informatie te verstrekken over de bestanddelen van een rentetarief.
subonderdeel 4.B.2(iii)(
nrs. 4.31-4.32).
(nr. 4.3)wordt herhaald in
subonderdeel 4.B.2(iii)(
nr. 4.31), dat in zoverre ook slaagt.
nr. 4.31bedoelde stelling van ABN AMRO dat, omdat de oorzaken voor het wijzigen van de opslag zeer divers zijn, een open formulering van de wijzigingsbedingen onvermijdelijk is en een specificatie van de wijzigingsgronden en een opgave van de wijze waarop de opslag kan worden gewijzigd de leningnemer geen beter inzicht zou geven in de risico’s dat en de mate waarin de opslag kan worden gewijzigd.
nr. 4.32) stelt het hof in rov. 3.9
te strenge eisenaan de transparantie van de Wijzigingsbedingen voor wat betreft de gronden voor, de wijze van en de bandbreedte van de wijziging van de opslag.
Matei, rov.76). De klacht ziet eraan voorbij dat de Wijzigingsbedingen ongeclausuleerd waren en dat het hof geen oordeel heeft gegeven over de vraag waaraan de bedingen zouden moeten voldoen om nog wel transparant te zijn. Zo heeft het hof niet geoordeeld dat de Wijzigingsbedingen, om voldoende transparant te zijn, ook ‘de bandbreedte’ van de mogelijke wijziging dienen te specificeren (zie hiervoor in 5.39.3).
subonderdeel 4.B.2(iv)(
nr. 4.33) kent het hof in rov. 3.8, 3.17 en 3.18 bij de beoordeling van de transparantie ten onrechte en onbegrijpelijk betekenis toe aan omstandigheden van
na de contractsluiting, te weten het door ABN AMRO in de procedure of bij de uitoefening van haar wijzigingsbevoegdheid in 2009 en 2012 evenmin geboden inzicht in de kostenopbouw.
subonderdeel 4.B.3(
nrs. 4.34-4.36) baseert het hof in rov. 3.8-3.10 ten onrechte ambtshalve zijn transparantieoordeel mede op door de Stichtingen
niet gestelde omstandigheden, te weten dat de leningnemers (a) niet zijn geïnformeerd over de verschillende kostencomponenten en (b) niet weten hoe de opslag tot stand komt, is samengesteld, binnen welke bandbreedte deze zal kunnen bewegen, en dat niet duidelijk is wat doel en achtergrond van de Wijzigingsbedingen is. Het middel klaagt dat het hof aldus de eisen van de goede procesorde, het recht van hoor en wederhoor, de grenzen van de rechtsstrijd en de regels over de verdeling van stelplicht en bewijslast heeft geschonden.
subonderdeel 4.B.4(iii)(
nrs. 4.41-4.45) overweegt het hof in rov. 3.8 onvoldoende gemotiveerd dat uit de
offertes niet kenbaarwas dat het rentetarief ook afhankelijk was van een variabel opslagpercentage, voor wat betreft het hiervoor bij de feiten onder b genoemde wijzigingsbeding van Fortis voor omzetting van bestaande hypotheken en de onder d en e genoemde wijzigingsbedingen van ABN AMRO voor omzetting van bestaande hypotheken en voor wijziging van bestaande Euribor-hypotheken na december 2010. [112]
nrs. 4.43 en 4.45) terecht dat het oordeel dat uit de offerte niet kenbaar was dat het rentetarief ook afhankelijk was van een variabel opslagpercentage zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende is gemotiveerd. Indien het hof van oordeel was dat er ten aanzien van het in rov. 3.1.12.2 onder b genoemde Wijzigingsbeding een onderscheid moet worden gemaakt tussen de offerte en de bijlage daarbij, had het hof de relevantie daarvan naar mijn mening nader dienen te motiveren.
nr. 4.43) nog de conclusie dat het hof in rov. 3.9 niet kon overwegen dat gesteld nog gebleken is dat de leningnemers expliciet op de Wijzigingsbedingen zijn gewezen. Mogelijk doelt het hof hier op meer dan een voor de gemiddelde consument kenbare verwijzing in (de bijlage bij de) offerte, maar zeker is dat niet. In ieder geval komt deze overweging in de lucht te hangen, gezien het slagen van de in 5.45.1 bedoelde klachten.
nr. 4.44) dat niet valt in te zien dat de bank dit rentepercentage had behoren uit te splitsen en dat in de algemene voorwaarden, die kennelijk van toepassing bleven, [113] de mogelijkheid van wijziging van de opslag wel werd genoemd.
subonderdeel 4.B.4(iv)(
nrs. 4.46-4.47) kent het hof ten onrechte of onbegrijpelijk in rov. 3.8 betekenis toe aan informatie over Euribor-hypotheken op de
websitevan ABN AMRO, en negeert het hof de stelling van ABN AMRO dat zij ‘het verkoopkanaal’ in
een circulaireheeft geïnformeerd dat de opslag gewijzigd zou kunnen worden.
subonderdeel 4.B.2(i)(
nrs. 4.27-4.29) legt het hof in de oneerlijkheidstoets
te eenzijdigde nadruk op het materiële transparantievereiste in verband met het ontbreken van criteria voor de toepassing of een begrenzing van de Wijzigingsbedingen.
nr. 4.28ook lijkt te betogen).
subonderdeel 4.B.4(i)(
nrs. 4.38-4.39) besteedt het hof, gezien de in
nr. 4.37bedoelde oordelen in rov. 3.8 en 3.9, in de oneerlijkheidstoets in (zo begrijp ik) rov. 3.10 [115] ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd geen aandacht aan de stellingen van ABN AMRO dat, kort gezegd, de Wijzigingsbedingen
voldoende kenbaar en duidelijkwaren.
subonderdeel 4.B.4(ii)(
nr. 4.40) kent het hof in (zo begrijp ik) rov. 3.10 bij de toepassing van art. 6:233 onder Pro a BW ten onrechte betekenis toe aan het gegeven dat een expliciete verwijzing naar de Wijzigingsbedingen ontbreekt en dat daarover niet is onderhandeld (rov. 3.9) en dat zij niet in de offertes stonden (rov. 3.8).
subonderdeel 4.B.5(
nrs. 4.48-4.49) verzuimt het hof een integrale oneerlijkheidsbeoordeling te verrichten en stelt het in essentie intransparantie gelijk met oneerlijkheid, ook al overweegt het hof in rov. 3.10 dat het feit dat niet is voldaan aan het transparantievereiste de Wijzigingsbedingen nog niet oneerlijk maakt.
nr. 4.50inleidend is, bevat klachten in
nrs. 4.51-4.57over de beoordeling in rov. 3.10 van (a) de vergelijking van de juridische positie van de leningnemers met en zonder Wijzigingsbedingen en (b) de fictieve onderhandelingstoets.
nr. 4.51, dat de rechter ook de overige bedingen/omstandigheden moet toetsen, en in nr.
4.52, dat dit gevolgen heeft voor de vergelijking tussen de juridische positie van de leningnemers met en zonder de Wijzigingsbedingen.
nr. 4.52niet op. Het hof kon oordelen dat in de situatie zonder Wijzigingsbedingen ABN AMRO voor een wijziging van de opslag een beroep zou moeten doen op art. 6:248 lid 2 BW Pro of 6:258 BW.
nr. 4.54-4.55, dat de rechter ook de overige bedingen/omstandigheden moet toetsen en dat ABN AMRO in dit opzicht haar stellingen over de fictieve onderhandelingstoets onvoldoende heeft toegelicht.
nr. 4.56faalt. De vergelijking met de fictieve situatie dat over de bedingen zou zijn onderhandeld, veronderstelt niet dat die situatie ziet op een daadwerkelijk door de gebruiker van de algemene voorwaarden aangeboden product of dienst.
nrs. 4.53 en 4.57behoeven geen behandeling. Het verwijzingshof zal zich opnieuw een oordeel kunnen vormen over de betekenis van het gebrek aan transparantie voor de beoordeling van de oneerlijkheid van de Wijzigingsbedingen.
(nr. 4.3)in wezen herhaald in de klacht van
subonderdeel 4.D (nrs. 4.58-4.60), die dan ook slaagt. Dit betreft mede rov. 3.24.
nr. 4.61dat de term ‘geldige reden’ in punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage ziet op het ontbreken van een vooraankondiging.
zondervooraankondiging over gaat tot een wijziging en, strikt genomen, niet het geval dat de bank op grond van een geldige reden
navooraankondiging over gaat tot een wijziging. Uit het feit dat een wijziging
zondervooraankondiging geldig kan zijn, volgt dat ook een wijziging
navooraankondiging dat (des te meer) kan zijn terwijl dit ook gevolgen heeft voor de vraag of de consument na de wijziging al dan niet onmiddellijk moet kunnen opzeggen. [119]
zondervooraankondiging), ligt niet in de rede dat de Richtlijn anders zou oordelen over het belang van een geldige reden in het geval van een wijziging
navooraankondiging. Dit is ook niet, zo begrijp ik de klacht, wat het middel wil betogen.
nr. 4.62onder meer dat punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage geen steun biedt voor de opvatting in rov. 4.16 e.v., dat een geldige reden voor de wijziging in transparante vorm moet worden medegedeeld.
Invitel,
RWE,
Kásleren
Matei, niet van toepassing is op de bedingen genoemd in punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage. Het transparantievereiste en punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage zijn beide elementen van de toets of een beding oneerlijk/onredelijk bezwarend is. Daarbij wees ABN AMRO op het toetsingsmoment en het feit dat de tekst van punt 2.b niet als vereiste stelt dat de gebruiker de redenen voor de wijziging toelicht (al volgt de gehoudenheid daartoe wel uit onder meer haar zorgplicht). [120] In cassatie (s.t. nr. 130) verwijst zij kennelijk naar dit betoog.
nr. 4.62nog voort op de door het middel vergeefs bestreden oordelen in rov. 3.8 en 3.9 over het transparantievereiste. In zoverre faalt de klacht ook.
nr. 4.63dat het hof miskent dat geen inzicht behoeft te worden gegeven in de economische gevolgen, zolang aan de voorwaarden van punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage is voldaan.
nr. 4.63. Naar ik meen kan daaruit echter niet, omgekeerd, worden afgeleid dat het transparantievereiste niet van toepassing is op bedingen die voldoen aan de omschrijving van punt 1.j of punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage. Het transparantievereiste van art. 5 Richtlijn Pro is van toepassing op elk beding, al zullen de eisen die op grond daarvan in concreto kunnen worden gesteld afhangen van de aard van het beding en de overige omstandigheden van het geval.
nrs. 4.64-4.69over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 3.18, dat de toelichting van ABN AMRO ten aanzien van de gerechtvaardigdheid van de opslagverhogingen inconsistent is en over het onbesproken laten van essentiële stellingen van ABN AMRO over het gerechtvaardigd zijn van de opslagverhogingen.
nrs. 4.65-4.68over het sub (i) bedoelde oordeel, behoeft het geen behandeling omdat het zich richt tegen een overweging die het hof ten overvloede heeft gegeven. Het hof heeft daarvoor immers al geoordeeld over het gebrek aan transparantie (rov. 3.8-3.9) en de oneerlijkheid (rov. 3.10-3.13) van de Wijzigingsbedingen en over de toepasselijkheid van punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage (rov. 3.14-3.17). Hoewel rov. 3.19 ook verwijst naar de in de procedure gegeven toelichting, is het oordeel daarover naar mijn mening – en anders dan onderdeel 4.E (
nr. 4.64) veronderstelt − niet dragend voor de conclusie in rov. 3.20.
nr. 4.69dat het hof bepaalde stellingen van ABN AMRO over het gerechtvaardigd zijn van de opslagverhogingen onbesproken heeft gelaten. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Ook indien er in 2009 en 2012 geldige redenen waren om de opslag te verhogen, doet dat niet af aan het oordeel van het hof over het gebrek aan transparantie en de oneerlijkheid van de Wijzigingsbedingen en over de toepasselijkheid van punt 2.b), eerste alinea, van de Bijlage. Het middel voert niet aan dat in de brieven over de opslagwijziging naar deze stellingen is verwezen.
6.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep
onderdeel 2, omdat dit aansluit op het principale middel. Volgens het onderdeel miskent het hof in rov. 3.10 en rov. 3.20 dat schending van het transparantievereiste op zichzelf al tot rechtsgevolg moet hebben dat het betreffende beding de consument niet bindt en/of dat dat beding door de rechter moet worden vernietigd, althans op zichzelf al van doorslaggevende betekenis moet of kan zijn voor het oordeel dat een beding kan worden beschouwd als oneerlijk en/of onredelijk bezwarend, met als gevolg dat het beding de consument niet bindt en/of dat dat beding door de rechter moet worden vernietigd.
subonderdeel 1.1),en had het hof moeten ingaan op de stellingen van partijen (
subonderdeel 1.2).
subonderdeel 1.2).
gerechtigdzou zijn om de prijs (ook) aan te passen binnen drie maanden na contractsluiting, terwijl de consument in dat geval niet bevoegd zou zijn om de overeenkomst te ontbinden. [125]
wordtverhoogd. De prijsverhoging die na drie maanden of later plaatsvindt, dient te worden getoetst aan de open norm van art. 6:233 sub a BW Pro. [127]
gebondenheidvan de wederpartij aan de gewijzigde overeenkomst. [130]