Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2015:1922

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2015
Publicatiedatum
21 mei 2015
Zaaknummer
200.137.573-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
EG-Richtlijn 93/13Art. 4.1.4 Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijzigingsbevoegdheid rentepercentage hypothecaire lening en onredelijk bezwarend beding

In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of de in de algemene voorwaarden van ABN AMRO opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het rentepercentage van een hypothecaire lening onredelijk bezwarend is en voldoet aan de eisen van transparantie en goede trouw volgens EG-Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Het hof heeft bij een eerder tussenarrest reeds een groot deel van de grieven van appellanten verworpen, maar verwees de zaak terug voor nadere beoordeling van de toepasselijkheid van de richtlijn op de specifieke wijzigingsbevoegdheid. In het kader daarvan heeft het hof gewezen op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, met name het arrest RWE Vertrieb, waarin de transparantie en het recht op beëindiging bij prijswijzigingen centraal staan.

Partijen hebben tot op dat moment geen inhoudelijke reactie gegeven op deze jurisprudentie, waarna het hof heeft besloten de zaak aan te houden en partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Het hof heeft daarmee de procedure opgeschort en de zaak verwezen naar de rol voor nadere stukken.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam en op 19 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de rol voor nadere stukken over de toepasselijkheid van EU-jurisprudentie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.137.573/01
rolnummer rechtbank Amsterdam : CV 12-38437
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2015
inzake
[appellant sub 1]en
[appellante sub 2],
beiden wonend te [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen:
de naamloze vennootschap ABN AMRO N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna [appellanten] en ABN AMRO genoemd.
1.2.
Bij zijn tussenarrest van 12 augustus 2014 heeft het hof bij wijze van bindende eindbeslissing de eerste, tweede en vijfde tot en met tiende grief van [appellanten] verworpen en ter beoordeling van de derde en vierde grief van [appellanten] de zaak verwezen naar de rol, zodat partijen zich kunnen uitlaten en, zo nodig, hun stellingen kunnen aanpassen aangaande de betekenis van bepaling j op de bijlage bij EG-Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) voor de in art. 4.1.4 van de Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken bedongen bevoegdheid om de opslag in het rentepercentage te verhogen.
1.3.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- antwoordakte na tussenarrest, tevens wijziging/vermeerdering van eis;
- akte na tussenarrest.
1.4.
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het hof blijft bij zijn eindbeslissingen in zijn tussenarrest van 12 augustus 2014. Voor zover de stellingen in de akte van [appellanten] moeten worden begrepen als een verzoek aan het hof om op die eindbeslissingen terug te komen, wordt aan die stellingen voorbijgegaan, nu gesteld noch gebleken is dat en waarom handhaving van die eindbeslissingen ertoe zou leiden dat het hof op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
2.2.
Op 21 maart 2013 heeft het Hof van Justitie van de EU arrest gewezen in de zaak C-92/11 (RWE Vertrieb tegen Verbraucherzentrale Nordrhein-Westfalen). Het hof heeft in r.o. 49 van dat arrest overwogen dat het hof aangaande de beoordeling van een beding op grond waarvan de verkoper de kosten van de dienst eenzijdig kan wijzigen, reeds heeft verklaard dat uit de artikelen 3 en 5 van de richtlijn alsmede uit de punten 1, sub j en l, en 2, sub b en d, van de bijlage bij de richtlijn volgt dat het van wezenlijk belang is te weten of ten eerste, in de overeenkomst de reden voor en de wijze van aanpassing van de kosten van de dienst transparant zijn gespecificeerd, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van deze kosten kan voorzien en ten tweede, de consumenten het recht hebben de overeenkomst te beëindigen in geval van een daadwerkelijke wijziging van deze kosten (zie in die zin HvJ EU 26 april 2012, C-472/10 (Invitel), onder 24, 26 en 28). In r.o. 55 van het arrest wordt overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een standaardbeding waarin een leverancier zich het recht voorbehoudt om de gasprijs te wijzigen, beantwoordt aan de in artikel 3 en Pro 5 van de richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie, wezenlijk belang moet worden gehecht aan met name:
- de vraag of in de overeenkomst de reden voor en de wijze van aanpassing van deze prijs transparant worden toegelicht, zodat de consument aan de hand van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van deze prijs kan voorzien. Wanneer vóór sluiting van de overeenkomst daarover geen informatie is verstrekt, kan dit in beginsel niet worden goedgemaakt enkel door het feit dat de consumenten in de loop van de uitvoering van de overeenkomst redelijke tijd vooraf zullen worden geïnformeerd over de prijsaanpassing en hun opzeggingsrecht, mochten zij deze aanpassing niet wensen te aanvaarden, en
- de vraag of de consument in concreto daadwerkelijk zijn opzeggingsrecht kan uitoefenen.
Het hof wijst in dat verband nog op het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 26 februari 2015, C-143/13 (Matei c.s. tegen Volksbank România), onder 74 en volgend.
2.3.
Partijen hebben in hun akte na het tussenarrest geen aandacht besteed aan het arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 2013. Gezien het mogelijke belang van dit arrest voor de onderhavige zaak zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten, eerst [appellanten] en daarna ABN AMRO.
2.4.
Het hof houdt elke verdere beslissing aan.

3.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol voor akte aan de zijde van [appellanten] met het onder 2.3 aangegeven doel;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Oranje, M.P. van Achterberg en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015.