Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof heeft verzuimd bij de beoordeling van het verzoek alle daartoe in aanmerking komende belangen af te wegen.
(i) Nadat de inleidende dagvaarding op 24 augustus 2015 in persoon was uitgereikt aan de verdachte, zijn op de terechtzitting in eerste aanleg van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 september 2015 de verdachte en zijn raadsman verschenen. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld wegens eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
(ii) Op 16 september 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 16 maart 2016, houdt in dat de appeldagvaarding op 26 januari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(v) Een derde akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, houdt in dat de dagvaarding op 3 februari 2016 tevergeefs is aangeboden op het adres dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep heeft doen opgeven ([b-straat 1] te ’s-Gravenhage) en vervolgens op 15 februari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 15 februari 2016 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres in Den Haag.
(vi) Een vierde akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, houdt in dat de dagvaarding op 10 februari 2016 tevergeefs is aangeboden op het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van de verdachte dat staat vermeld in de aan die akte gehechte ID-staat SKDB ([c-straat 1] te ’s-Gravenhage) en vervolgens op 22 februari 2016 is uitgereikt aan de griffier van het gerechtshof Den Haag omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 22 februari 2016 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het voornoemde adres in Den Haag.
(vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 21 januari 2016, 10 februari 2016, 15 februari 2016 en 22 februari 2016 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij sinds 25 januari 2016 [1] niet in de GBA stond ingeschreven (“Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”) en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [c-straat 1] te ’s-Gravenhage betreft (datum registratie 19 oktober 2015).
(viii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2016 houdt, voor zover van belang, in hetgeen hierna onder 5 is vermeld.
(ix) Na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten en na kort onderling beraad terstond uitspraak gedaan.
Ik heb vergeefs geprobeerd contact op te nemen met mijn cliënt teneinde zijn onderzoekswensen te bespreken en een volmacht te verkrijgen om namens hem het woord te voeren.Daartoe heb ik onder meer diverse malen geprobeerd telefonisch contact te krijgen via de Reclassering en via GGZ Palier. Ik heb bij degene bij wie mijn cliënt onder behandeling is, ingesproken op het antwoordapparaat met het verzoek mij zo spoedig mogelijk terug te bellen. Mogelijk heeft zij meer informatie omtrent de verblijfplaats van mijn cliënt. Gelet op de strafeis van de advocaat-generaal, verzoek ik het hof de zaak aan te houden, teneinde mij in de gelegenheid te stellen om wederom telefonisch contact op te nemen met GGZ Palier om een eventueel verblijfadres te achterhalen, zodat ik alsnog door mijn cliënt gemachtigd kan worden.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor korte tijd, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen telefonisch contact op te nemen met GGZ Palier. Na deze onderbreking wordt het onderzoek hervat en wordt de raadsman in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.
De raadsman voert het woord als volgt.
Bij GGZ Palier heeft men bevestigd dat mijn cliënt in hun systeem staat en dus bij hen onder behandeling is. Omwille van de privacy wil men mij geen adresgegevens verstrekken en wil men zelfs niet zeggen of hij een woon- of verblijfplaats heeft. De behandelaar van de verdachte heb ik niet gesproken. Ik heb wederom ingesproken in het antwoordapparaat met een verzoek mij terug te bellen. Omdat de mogelijkheid om via deze weg in contact te treden met mijn cliënt nog openstaat, verzoek ik het hof nogmaals de behandeling van de zaak aan te houden, totdat ik meer duidelijkheid heb verkregen over het verblijfadres van de verdachte.De advocaat-generaal verzet zich niet tegen aanhouding.
Gelet op die omstandigheden is het naar het oordeel van het hof dan ook de verantwoordelijkheid van de verdachte om ervoor te zorgen dat hij bereikbaar is voor zijn raadsman, ofwel door te zorgen dat hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, dan wel door zelf regelmatig contact op te nemen met de raadsman omtrent de stand van zaken met betrekking tot zijn hoger beroep en/of de raadsman tijdig te machtigen het woord te voeren op de terechtzitting in hoger beroep.