Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie van een verdachte centraal tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De kern van het geschil betrof het verzoek van een raadsman die niet op grond van art. 279 Sv Pro gemachtigd was, om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde alsnog een machtiging te verkrijgen.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet verschenen en was de raadsman aanwezig zonder geldige machtiging. Hij verzocht de voorzitter om schorsing van de behandeling, wat door het hof werd afgewezen. Het hof verleende verstek en behandelde de zaak verder zonder de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet beslissen op het verzoek tot aanhouding van de behandeling door de niet-gemachtigde raadsman een verzuim is dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebaseerde arrest. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.
De uitspraak benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en de noodzaak dat het hof adequaat beslist op verzoeken die dit recht betreffen, ook als deze worden gedaan door een niet-gemachtigde raadsman.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet beslissen op het verzoek tot aanhouding en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.