Conclusie
[eiseres] /VelopA B.V.[eiseres] (hierna: [eiseres] ) was tussenpersoon in een contractuele relatie met VelopA B.V. (hierna: VelopA), haar opdrachtgever/afnemer, en anderzijds met de Tsjechische firma BAST s.r.o. (hierna: Bast), haar toeleverancier. Bast is in 2005 de producten (met name metalen fietsenrekken) die zij aan [eiseres] leverde, rechtstreeks aan VelopA gaan leveren. De beide zaken gaan over dit feitencomplex. Gelet op deze samenhang (de dossiers bevatten bovendien deels dezelfde stukken) is het wenselijk dat zij gelijk op lopen. Om die reden wordt vandaag in beide zaken geconcludeerd.
1.Feiten
Betreffs Produkten wie zubehörende Zeichnungen sollte Sie allein in Auftrag nehmen von [eiseres] und deshalb auch nicht direkt zu unserem Kunde geliefert werden.
na de aanstaande leveringen feitelijk beëindigd is”. Zij heeft aan VelopA gevraagd op welke wijze deze zeker kon stellen dat de in dat verband verschuldigde betalingen nog zouden plaatsvinden. [7] Bij brief van 11 juli 2005 heeft VelopA [eiseres] meegedeeld dat samen is geconstateerd dat de relatie tussen hen is geëindigd. [8]
2.Procesverloop
tussenvonnis van 19 december 2012stelt de rechtbank Rotterdam vast dat partijen hebben gekozen voor toepassing van Nederlands recht op zowel de op de overeenkomst gebaseerde vorderingen als op de buitencontractuele vorderingen (rov. 5.1). Volgens de rechtbank is de verplichting tot exclusiviteit in de relatie tussen [eiseres] en Bast beperkt tot de duur van de relatie tussen [eiseres] en VelopA (rov. 5.5). De rechtbank oordeelt verder dat Bast zonder wanprestatie te plegen jegens [eiseres] vanaf juli 2005 in rechtstreekse opdracht van VelopA kon gaan werken. Bast is echter al vanaf april/mei 2005 voor VelopA gaan werken. Totdat de overeenkomst tussen [eiseres] en Velopa was geëindigd (per 1 juli 2005) was Bast verplicht de exclusiviteitsbedingen te respecteren. Daarin is zij toerekenbaar tekortgeschoten. Zie rov. 5.6:
(…)
”, dan het verlangen van [eiseres] om de relatie met Velopa te doen voortduren. Dat oordeel wordt niet anders door de toevoeging “Onder voorbehoud van alle rechten” onderaan de brief van 5 juni 2005. (…)
eindvonnis van 24 december 2014heeft de rechtbank beslist dat zij niet terugkomt op het tussenvonnis. De wanprestatie van Bast blijft daarom beperkt tot de directe leveringen aan VelopA in de periode april tot en met juni 2005. De daaruit voor [eiseres] voortvloeiende schade is door de rechtbank begroot op € 18.750,- (rov. 2.16). Bast is veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
het hof) in hoger beroep gekomen van genoemd tussenvonnis en eindvonnis. Bast heeft de grieven van [eiseres] bestreden en onder aanvoering van twee grieven incidenteel hoger beroep ingesteld. [eiseres] heeft de incidentele grieven bestreden.
arrest van 7 maart 2017heeft het hof in het principaal hoger beroep de tussen partijen gewezen vonnissen bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de kosten. Het incidenteel hoger beroep heeft het hof verworpen onder veroordeling van Bast in de kosten van dat hoger beroep. [13]
9. Grief II strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat Bast de contractuele exclusiviteitsbepalingen jegens [eiseres] niet heeft geschonden en aldus niet toerekenbaar jegens [eiseres] tekort is geschoten.
20. In grief V wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Bast niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld.
26. De incidentele grief I strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Bast in de periode april / mei 2005 tot juli 2005 verplicht was de exclusiviteitsbedingen van [eiseres] te respecteren. In de toelichting op deze grief is aangevoerd dat de exclusiviteitsbedingen waar [eiseres] zich op beroept in strijd zijn met artikel 6 lid 1 Mededingingswet Pro (uitgelegd conform artikel 81 EG Pro en artikel 5 sub a van Pro de verordening (EG) Nr. 2790 / 1999 verticale overeenkomsten).
30. Het principaal appel faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal appel. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten van het pleidooi toe te rekenen aan het principaal appel. Het incidenteel appel wordt verworpen. Bast zal als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.”
3.Vooraf: betekenis oordeel hof Arnhem-Leeuwarden in de zaak [eiseres] /VelopA
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Haviltex-maatstaf. [19] In haar dissertatie over samenhangende rechtsverhoudingen noemt M.J. Van Laarhoven de diverse in aanmerking te nemen factoren. [20] Een uitputtend ‘lijstje’ is er niet.
Eneco/Wielerstichting. De Hoge Raad overwoog: [21]
Weliswaar is in diverse arresten van de Hoge Raad bij de beoordeling van de rechtsverhouding tussen partijen die niet in een contractuele verhouding tot elkaar stonden, betekenis toegekend aan de feitelijk-economische samenhang die bestond tussen overeenkomsten waarbij zij wél partij waren, maar dit betekent niet dat de enkele omstandigheid dat een zodanige samenhang bestaat, steeds van belang is voor de beoordeling van de rechtsverhouding tussen de daarbij betrokken partijen. Uitgangspunt is dat overeenkomsten alleen partijen binden. Daarom dient het oordeel dat een contractueel beding doorwerkt in een daarmee samenhangende rechtsverhouding, specifiek te zijn gemotiveerd.”
Onderhavig arrest stelt een duidelijke grens aan het leerstuk van samenhangende overeenkomsten.”
onderdeel 1.
onder 1.1, dat het in rov. 10 gegeven oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat een overeenkomst slechts eindigt indien die overeenkomst zelf, een rechtshandeling, de wet, de gewoonte en/of het ongeschreven recht dit meebrengt, mist m.i. feitelijke grondslag. De bestreden overweging berust namelijk op een uitleg van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. Het hof oordeelt dat zich een beëindigingsgrond voordoet die voortvloeit uit de overeenkomsten beschouwd in onderling verband en samenhang met de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA. Het hof heeft, anders dan het subonderdeel aanvoert, daarom als zodanig niet miskend dat er een beëindigingsgrond moet zijn en heeft deze in dit geval ontleend aan de overeenkomsten zelf; zie ook hiervoor onder 3.3). Daaruit volgt tevens dat het hof, anders dan [eiseres]
onder 1.2klaagt, niet heeft miskend dat de aanwezigheid van een zodanige samenhang als door het hof bedoeld dient te worden vastgesteld aan de hand van uitleg van de rechtsverhoudingen in het licht van de omstandigheden.
onder 1.2klaagt [eiseres] dat het bestreden oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Die klacht slaagt. De enkele omstandigheid dat overeenkomsten nauw samenhangen brengt immers niet zonder meer mee dat het einde van één van die overeenkomsten ook het einde van de andere overeenkomst tot gevolg heeft. Voor ‘lotsverbondenheid’ tussen overeenkomsten is een meer concrete motivering nodig, zoals ook volgt uit het in 4.5 geciteerde arrest
Eneco/Wielerstichting. [24] Van een dergelijke motivering heeft het hof zijn oordeel niet voorzien. Anders dan Bast in haar schriftelijke toelichting onder 2.8 aanvoert, volgt uit het bestreden arrest niet dat het hof voor die motivering aansluiting heeft willen zoeken bij het tussenvonnis van de rechtbank van 19 december 2002. Waar het hof in rov. 12 refereert aan het oordeel van de rechtbank, betreft dit enkel de overweging dat met de beëindiging van de overeenkomsten ook de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt. De vraag of de exclusiviteitsbedingen doorwerken na beëindiging van de overeenkomsten tussen Bast en [eiseres] is een andere dan de vraag of die overeenkomsten zijn beëindigd. [25]
onder 1.3terecht over dat het hof heeft nagelaten hetgeen zij ter onderbouwing van haar grief had aangevoerd (kort gezegd: het belang van de exclusiviteitsbedingen) bij zijn beoordeling van die grief in rov. 10 te betrekken. [eiseres] ’s betoog (i) dat de met Bast overeengekomen exclusiviteitsbedingen juist mede waren bedongen voor het geval zij en VelopA geen contractspartners meer zouden zijn, (ii) dat exclusiviteit juist ook wordt bedongen om de opdrachtgever in bestaande handelspraktijken te beschermen, (iii) dat dit in het normale handelsverkeer gebruikelijk is bij dit soort producten, (iv) dat de tekst van de exclusiviteitsbedingen zien op de producten en de productiemiddelen in relatie tot derden, en (v) dat VelopA en Bast het niet in de hand mogen hebben om met uitsluiting van [eiseres] verder samen zaken te doen, verdraagt zich zonder nadere motivering niet met het oordeel van het hof, zoals [eiseres] met juistheid stelt. [26] De motiveringsklacht slaagt.
overeenkomst met VelopAbetreft, faalt de klacht omdat het bestreden arrest, anders dan [eiseres] kennelijk veronderstelt, niet inhoudt dat deze overeenkomst in juli 2005 is geëindigd. Het hof heeft volstaan met een omschrijving van de feitelijke situatie dat VelopA zich op het standpunt heeft gesteld dat de samenwerking met [eiseres] is geëindigd en dat zij vanaf juli 2005 geen opdrachten meer heeft verstrekt. Het door [eiseres] in het bestreden arrest ingelezen oordeel zou ook moeilijk te verenigen zijn met het arrest van 19 maart 2013 van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarnaar het hof in rov. 13 verwijst; zie opnieuw 3.3 hiervoor.
onder 2.2, dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd indien het inhoudt dat de overeenkomst tussen VelopA en [eiseres] is geëindigd, te stranden. Het aangevochten oordeel van het hof houdt niet in dat de overeenkomst tussen VelopA en [eiseres] is geëindigd.
overeenkomsten met Bastwordt de klacht
onder 2.1tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het hof berust op het eerder in rov. 10 geformuleerde uitgangspunt en daarmee op een uitleg van de overeenkomsten van partijen. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van een beëindigingsgrond, die voortvloeit uit die overeenkomsten.
Onder 2.3klaagt [eiseres] daarover terecht. Het hof heeft niet toegelicht hoe uit de genoemde vooropstelling over de band van de omschreven feitelijke situatie kan volgen dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast tot een einde zijn gekomen. Zonder nadere motivering is het oordeel van het hof onbegrijpelijk; zie ook reeds 3.4.
der Kunde– in het bijzonder; [31]
onvoldoende steun in de stukken” en “
het hof volgt het standpunt niet” voldoen niet, althans niet in het licht van de hiervoor aangehaalde stellingen, aan de eis dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden, de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Haviltex-maatstaf. De in het onderdeel opgeworpen rechtsklacht faalt daarom.
met VelopAis beëindigd (zie onderdeel 1) en de vraag of de exclusiviteitsbedingen blijven doorwerken als de overeenkomsten
met Bastzijn geëindigd (in dit onderdeel 3aan de orde). Het hof heeft geoordeeld dat de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt met het einde van de met
Bastgesloten overeenkomsten, die wordt gesitueerd in juli 2005. De door [eiseres] beoogde stellingen betreffen – gelezen in hun context – vooral de vraag of de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt als de overeenkomst
met Velopais beëindigd. Daarop hoefde het hof hier niet in te gaan. Voor zover al is gesteld dat de exclusiviteitsbedingen niet (zonder meer) hun gelding verliezen met de beëindiging van de overeenkomsten met Bast – op de vindplaatsen waarnaar [eiseres] in dit verband verwijst, lees ik een dergelijke stelling overigens niet, wel bijvoorbeeld in de akte van 7 september 2011 onder 5 – is deze stelling niet van een onderbouwing voorzien. Het hof mocht dan ook volstaan met de door [eiseres] bekritiseerde algemeenheden.
onder 4.2klaagt, is er geen reden aan te nemen dat het hof deze maatstaf heeft miskend. Het hof heeft onderkend dat het enkele profiteren van wanprestatie niet volstaat en heeft blijkens de bestreden overweging onderzocht of er bijkomende omstandigheden waren die het handelen van Bast jegens [eiseres] onrechtmatig maakten. Dat laatste is volgens het hof niet het geval. Dit betreft een feitelijk oordeel, waartegen niet met een rechtsklacht kan worden opgekomen. Daaraan lijkt de klacht
onder 4.1– dat het hof heeft miskend dat de onrechtmatigheid gezien de positiewisseling van Bast gegeven is, althans in ieder geval indien geen compensatie is aangeboden – voorbij te zien.
onder 4.4terecht klaagt dat het hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. In het bijzonder heeft het hof zich onvoldoende rekenschap gegeven van de stellingen van [eiseres] omtrent de verhouding tussen partijen. In dat verband wijst zij op haar navolgende stellingen, die zich niet, althans niet zonder nadere motivering, verdragen met het oordeel dat Bast jegens [eiseres] niet heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt: [35]
beperkt is tot de periode vanaf juli 2005. Het hof kon daarom voorbijgaan aan bovengenoemde stellingen, voor zover die berusten op de veronderstelling dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast voortduurden.
onder 4.3kan m.i. onbesproken blijven. [45] Als vast komt te staan dat Bast onrechtmatig heeft gehandeld door van de wanprestatie van VelopA te profiteren, mist de klacht belang. Als de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende blijken te zijn om in die zin te oordelen, zullen zij ook onvoldoende zijn om aan te nemen dat anderszins is gehandeld in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
in hoger beroep onbestreden)” heeft geoordeeld dat Bast wanprestatie heeft gepleegd door in de periode april/mei 2005 in rechtstreekse opdracht van VelopA straatmeubilair aan haar te leveren en Bast aansprakelijk heeft gehouden voor de daaruit voor [eiseres] voortgevloeide schade. Bast klaagt dat het hof ofwel blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvatting omtrent de omvang van de rechtsstrijd of de reikwijdte van het hoger beroep, ofwel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Zij wijst erop dat zij in haar incidentele grief I het volgende heeft aangevoerd:
Alsmede ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat BAST door in april/mei 2005 in rechtstreeks opdracht van VelopA opdrachten voor straatmeubilair uit te voeren wanprestatie heeft gepleegd.”
in eerste aanlegmaakt onvoldoende duidelijk welke stellingen het hof ten onrechte onbesproken zou hebben gelaten.
onderdeel 3komt Bast op tegen rov. 29, laatste zin en het dictum. In voornoemde overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat voor zover het bedrag van € 18.750,- wordt vergoed door VelopA, [eiseres] dit bedrag niet nogmaals kan verhalen op Bast. In het dictum is het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarin deze beperking niet is opgenomen. Bast klaagt dat het hof met dit oordeel geen beperking heeft aangebracht in de executoriale titel die [eiseres] jegens haar heeft verkregen op basis van het eindvonnis van 24 december 2014 en dat het dictum daarom niet in overeenstemming is met de daaraan voorafgaande overwegingen. Het hof heeft aldus de reikwijdte van de door hem uit te spreken veroordeling miskend, althans dienaangaande een onbegrijpelijk oordeel gegeven.