Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te Helmond,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 juli 2017.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om samenhangende overeenkomsten tussen een projectontwikkelaar, een koper en een derde partij, waarbij de derde partij schadevergoeding vordert wegens onrechtmatige daad van de koper. De Hoge Raad beoordeelt of de koper rekening moest houden met de belangen van de derde partij en of wanprestatie noodzakelijk is voor toepassing van de relevante jurisprudentie.
De feiten betreffen een koopovereenkomst tussen DMB en Compaen over 70 woningen, met een ontbindende voorwaarde. Tevens is er een overeenkomst tussen DMB en eiseressen die beoogt te voorkomen dat Compaen de ontbindende voorwaarde zou inroepen. Na ontbinding van de koopovereenkomst en faillissement van DMB vordert de derde partij schadevergoeding van Compaen.
De rechtbank kende gedeeltelijk toe, het hof wees de vordering af en oordeelde dat de rechtsregel van eerdere HR-arresten niet van toepassing was omdat geen wanprestatie van Compaen was vastgesteld. De Hoge Raad corrigeert het hof en stelt dat het beoordelingskader voor belangen van derden ook geldt zonder dat wanprestatie is vastgesteld. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling over de vraag of Compaen rekening moest houden met de belangen van de derde partij.