Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de schending van een voorkeursrecht van een huurder bij de verkoop van een pand. Verhuurder [A] verkocht het pand aan Joba Trust B.V. (Joba), die het vervolgens vervroegd doorverkocht aan een derde, [betrokkene 1]. De huurder, [verweerder], beroept zich op een voorkeursrecht dat in het huurcontract is opgenomen, maar dat niet aan Joba en de derde was meegedeeld bij de koopovereenkomst.
De kantonrechter wees de vorderingen tegen Joba en de derde af, maar het hof oordeelde dat Joba en de derde onrechtmatig hadden gehandeld door bewust mee te werken aan de vervroegde levering om beslaglegging door de huurder te voorkomen. De Hoge Raad vernietigt dit arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Den Haag, omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het handelen van Joba onrechtmatig zou zijn, gelet op haar contractuele verplichtingen jegens de derde.
De Hoge Raad benadrukt dat Joba ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst niet bekend was met het voorkeursrecht en dat zij onder bijzondere omstandigheden onrechtmatig kan handelen door nakoming van de koopovereenkomst te frustreren, maar dat deze omstandigheden niet zijn vastgesteld. De zaak wordt derhalve voor verdere behandeling en beslissing terugverwezen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling van onrechtmatigheid bij vervroegde levering ondanks voorkeursrecht huurder.