Conclusie
[A] B.V.
[C] B.V.
[I] B.V. en/of haar mededader(s)
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
(…)”
eerste middelklaagt dat het hof het verweer van de verdediging dat niet bewezen kan worden dat [A] B.V. binnen de onder 2 tenlastegelegde periode opzet had op het niet of niet tijdig indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2006, omdat door middel van een aanmaning van de Belastingdienst uitstel was gegeven om de aangifte in te dienen, ten onrechte heeft verworpen. Het hof zou ten onrechte niet op het verweer hebben gereageerd, terwijl het verweer ook niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
tweede middel(p. 7 van de schriftuur) klaagt dat het bewezenverklaarde opzet van de rechtspersoon zoals onder 1 bewezenverklaard, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
derde middel(p. 11 van de schriftuur) klaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inhoudende dat uit artikel 15 Wet Pro op de Omzetbelasting 1968 niet blijkt dat de omzetbelasting niet in aftrek kan worden gebracht over de aan- en verkoop van landbouwgrond (en er door het wel in aftrek brengen van die omzetbelasting er dus geen sprake is van schending van de AWR), althans dat het hof het hiervoor genoemde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten onrechte heeft verworpen, althans heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, althans dat het bewezenverklaarde niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middel(p. 17 van de schriftuur) klaagt dat het medeplegen van feit 5 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het hof zou ten onrechte hebben nagelaten een aparte bewijsoverweging te wijden aan de motivering van het bewezenverklaarde bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’, terwijl uit de bewijsmiddelen evenmin volgt dat sprake is van een wezenlijke bijdrage van verdachte en/of zijn echtgenote [medeverdachte 2] , zodat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen onbegrijpelijk is.
Uit ’s hofs bewezenverklaring (…) echter niet zonder meer [volgt] ten aanzien van welk van de verwijten onder 1 t/m 8 een verwijt terzake medeplegen of zelfstandig daderschap is gemaakt.” Hoe dan ook, tot cassatie behoeft het voorgaande niet te leiden, omdat de Hoge Raad de woorden in de bewezenverklaring “althans alleen” kan schrappen en de kwalificatie verbeterd kan lezen in die zin dat sprake is van “medeplegen van bedrieglijke bankbreuk”.
vijfde middelklaagt dat het feitelijk leidinggeven, meer in het bijzonder het daarin besloten liggende opzet van verdachte, ter zake feit 3 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
zesde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat het nemo tenetur-beginsel is geschonden en bewijsuitsluiting dient te volgen, althans dat de verwerping van het hof niet zonder meer begrijpelijk is.
zevende en achtste middelklagen dat de motivering van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet begrijpelijk is.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS bij fraude afhankelijk zijn gesteld van het benadelingsbedrag. Bij een benadelingsbedrag van € 500.000,00 tot € 1.000.000,00 gaan genoemde oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden en bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 en hoger van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot de maximum gevangenisstraf. De rechtbank heeft genoemde oriëntatiepunten als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de op te leggen straf.
zevende middelzouden de overwegingen van het hof niet begrijpelijk en strijdig zijn met het dictum van het hof, omdat het hof bij de strafoplegging heeft betrokken dat “door het witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig geschonden”.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
door het witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig geschonden” per abuis heeft overgenomen en dat die overneming aldus berust op een kennelijke misslag. De Hoge Raad kan het bestreden arrest op dit punt verbeterd lezen.
achtste middeldat het hof in weerwil van zijn eigen overwegingen het benadelingsbedrag wel in de strafmaat heeft meegewogen, doordat het aansluiting zoekt bij de oriëntatiepunten fraude, schaal € 500.000 - € 1.000.000 en ten nadele van verdachte heeft meegewogen dat de benadeling substantieel is en dat verdachte samen met zijn mededaders aanzienlijke bedragen buiten de failliete boedel heeft gehouden en daarmee door zijn handelen schuldeisers heeft benadeeld. Dat het hof het benadelingsbedrag niet heeft willen meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf, maak ik uit de hiervoor onder randnummer 51 weergegeven overwegingen echter niet op. Een en ander maak ik anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld ook niet op uit de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen die het nadeel voor de Belastingdienst kan berekenen Zoals hiervoor onder randnummer 6 weergegeven heeft het hof aan die afwijzing onder meer ten grondslag gelegd dat voor wat betreft de straftoemeting de noodzaak daarvan niet is gebleken, omdat de hoogte van eventuele benadeling slechts een van de factoren is die de straftoemeting bepalen en het hof met de door de verdediging bij die hoogte geplaatste kanttekeningen rekening zal houden bij de straftoemeting. Daaruit volgt slechts dat het hof het exacte benadelingsbedrag niet noodzakelijk acht voor de strafoplegging, en dus niet - zoals de steller van het middel betoogt - dat het hof in zijn geheel geen acht zal slaan op de omvang van de benadeling van de fiscus. Gelet hier op berust het middel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.