Conclusie
1.Procesverloop
ná 2020, een reële verwachting bestond dat dit nodig zou kunnen zijn voor een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder, aan welk perceel de rechtbank daarom een waarde van € 10 per m² toekende. De rechtbank kende aan het onteigende perceelsgedeelte ten noorden van de Zeelandweg-Oost geen verwachtingswaarde toe en waardeerde dat op de agrarische waarde van € 7 per m². [14]
eerste cassatiemiddelbetreft deze materie.
derde cassatiemiddel.
tweede cassatiemiddel.
vierde cassatiemiddelniet worden verrekend met de uit de onteigening voortvloeiende voordelen maar zou integraal moeten worden vergoed.
vijfde cassatiemiddelop.
zesde cassatiemiddelkomt tegen dit laatste oordeel op.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
met verwachtingswaarde: € 10 per m² in plaats van de (aan het onteigende deel van perceel [A 001] toegekende) zuiver agrarische waarde van € 7 per m². [20]
los van de plannen om de Rijksweg A4 ten westen van Steenbergen aan te leggenal bestond, en steeds aanwezig is gebleven. Het perceel van [Van der P.] dat gedeeltelijk onteigend is ligt noordelijker, en in een gebied dat pas na (of in verband met) de principekeuze voor het westelijke traject van de A4 in beeld kwam als toekomstig bedrijventerrein.
onderdelen 4 en 5van het middel: het is evident dat de rechtbank bij de waardering van het onteigende de invloed van het tracébesluit elimineert. Zij volgde immers (zie rov. 2.15, slot) de deskundigen die, zoals de rechtbank in rov. 2.12 releveert, vaststelden
dat bij de waardering van het onteigende de voor- en nadelen van het werk c.a. waarvoor onteigend is, te weten de aanleg/doortrekking van de A4 tussen Dinteloord en Bergen op Zoom en de daarmee samenhangende infrastructurele maatregelen, alsmede de plannen voor dat werk, moeten worden weggedacht (art. 40c Ow). Daarmee is uiteraard ook de invloed van het tracébesluit weggedacht.
onderdeel 6wordt betoogd dat er geen reden is om het bestemmingsplan ‘Buitengebied Steenbergen’, dat aan het onteigende een agrarische bestemming geeft, weg te denken. Ik zie in het vonnis geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat de rechtbank dit bestemmingsplan op grond van art. 40c Ow heeft weggedacht. Integendeel, de rechtbank heeft de deskundigen gevolgd, die zijn uitgegaan van de agrarische bestemming die volgens dit bestemmingsplan op de onteigende gronden rust.
onderdeel 9geciteerde arrest komt mij voor de onderhavige zaak irrelevant voor, omdat de rechtbank wel degelijk rekening heeft gehouden met de op de peildatum bestaande verwachting op uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van de percelen van [eiser] .
onderdeel 13wordt miskend dat de rechtbank de plannen om het bedrijventerrein uit te breiden in de richting van het westelijke tracé van de A4 niet heeft aangemerkt als een gevolg van de keuze voor het westelijke tracé, omdat die plannen al bestonden vóórdat gekozen werd voor het westelijke tracé.
onderdeel 14een herhaling is van onderdeel 2 van het eerste cassatiemiddel in de zaak [Van der P.] /Staat. Echter daar lag, als gezegd, de situatie anders. De deskundigen zijn in de onderhavige zaak nu juist, op grond van de omstandigheid dat ook los van de ontwikkeling van de A4 de verwachting kon worden gekoesterd dat het gebied ten westen van Steenbergen op enige termijn in aanmerking zou zijn gekomen voor een functiewijziging ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijventerreinen Reinierpolder I en II, tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van de percelen van [eiser] op de peildatum wél een zekere verwachtingswaarde gold, zie het deskundigenrapport blz. 13. [21]
onderdeel 21wordt verwezen naar de oorspronkelijke visie die de deskundigen in het
concept-rapport huldigden. Uiteindelijk hebben de deskundigen de overblijvende perceelsgedeelten, met inachtneming van het werk waarvoor onteigend is, niet gewaardeerd op € 15 per m² maar op resp. € 7, € 6 en € 12 per m². [22]
mogelijkheidbestond om over het op de website vermelde overleg
contact op te nemen, maar is ervan uitgegaan “
dat op een eventueel verzoek van potentiële kopers deze informatie zou zijn verstrekt.”
verminderingvan het overblijvende deel van perceel [A 001] en een waarde
vermeerderingvan het overblijvende deel van perceel [B 001] ) aangemerkt als een uit de onteigening voortvloeiend voordeel, dat verrekend moet worden met de uit de onteigening voortvloeiende nadelen (voor zover behorende tot de ‘overige schade’). Deze methodiek [27] is in cassatie, voor zo ver mij duidelijk, niet bestreden.
onderdeel 25) keert zich tegen de aanname dat er een waardevermeerdering ten gevolge van de onteigening is. Het middel betoogt dat [eiser] steeds het standpunt heeft ingenomen dat – de onteigening weggedacht – de percelen de door de deskundigen en de rechtbank vastgestelde waarde na de onteigening al voor de onteigening hadden, en dat de rechtbank op dat standpunt niet gemotiveerd heeft gereageerd en haar oordeel daarom onvoldoende begrijpelijk is.
onderdelen 26-30) bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 2.31 dat het vaste jurisprudentie is dat bij de waardering van het onteigende de eventuele voor- en nadelen van het werk waarvoor onteigend wordt
welmoeten worden geëlimineerd, maar bij de waardering van een eventueel overblijvend deel
niet. De rechtbank herhaalt hier de visie van de deskundigen (deskundigenrapport blz. 16, midden), die op hun beurt verwezen naar HR 4 november 1970, NJ 1971/433. [29]
onderdelen 27 en 28goed begrijp, wil [eiser] ingang doen vinden dat bij hantering van de vergelijkingsmethode teneinde de waardevermindering of waardevermeerdering van het overblijvende te bepalen [30] steeds waarden behoren te worden genomen die bepaald zijn met inachtneming van de in art. 40c Ow geregelde eliminatie van het werk en de plannen daarvoor. Dus zowel (a) de waarde van het geheel voor onteigening (het complex) als (b) de waarde van het onteigende als (c) de waarde van het overblijvende.
onderdeel 29van het cassatiemiddel wordt erop gewezen dat de in art. 40c geregelde eliminatie op alle elementen van de schadeloosstelling ziet en niet alleen op de vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende. Dat is juist, maar neemt niet weg dat het overblijvende bij de bepaling van de meer- of minderwaarde daarvan moet worden getaxeerd met inachtneming van de nieuwe situatie.
onderdeel 31) herhaalt het bezwaar van onderdeel 23 van het eerste middel en deelt het lot daarvan.
onweersproken heeft gelaten, maar dat [eiser] dat standpunt
heeft betwistmet de stelling dat de bodembestanddelen in het werk zijn gebruikt. Echter het louter gebruik van de bodembestanddelen in het werk achtte de rechtbank geen maatstaf voor de vraag of die bodembestanddelen marktwaarde hebben.
in het onteigende vrijkomendebodembestanddelen, die volgens de deskundigen vermengd waren en daarom geen marktwaarde hadden. [36]
Onderdeel 35borduurt voort op het, gezien het voorgaande irrelevante, twistpunt of de Staat voordeel heeft gehad van het gebruik van de vrijkomende bodembestanddelen, een punt waarover de rechtbank ten overvloede heeft geoordeeld, zodat [eiser] bij de bestrijding van dat oordeel geen belang heeft. Het onderdeel kan naar mijn mening dan ook niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 37wil uit het in het vorige onderdeel bedoelde arrest van Uw Raad, waarop volgens het onderdeel bij pleidooi een beroep is gedaan, afleiden “dat moet worden aangenomen dat de stelling van [eiser] juist is, althans dat op de Staat de bewijslast rust het tegendeel te bewijzen”, en klaagt dat de rechtbank (ook) op dit punt het recht heeft geschonden althans haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 met noot T. Hartlief (Reaal Schadeverzekeringen/gemeente Deventer). In dit arrest staan in ieder geval de in onderdeel 36 geciteerde rov. 3.6.2 en 3.6.3.
onderdelen 41 en 42van het vierde middel betogen dat de door de rechtbank toegepaste voordeelsverrekening onjuist is voor zover het gaat om de inkomstenderving over 2012, omdat die schadepost zou zijn aan te merken als een éénmalige (bijkomende) schadepost, die naar zijn aard niet zou mogen worden verrekend met het gekapitaliseerde inkomensvoordeel wegens rente vrijkomend kapitaal.
onderdeel 44wordt aangevoerd doet naar mijn mening aan het bovenstaande niet af. Ik acht het vierde middel dan ook ongegrond.
is, omdat de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende als gevolg van de omstandigheid dat de rechtbank aan een (het grootste) deel van het onteigende (nl. de onteigende 7.86.44 ha van perceel [B 001] met een zekere verwachtingswaarde) een hogere waarde dan de agrarische heeft toegekend, terwijl (bij de begroting van de schadeloosstelling ervan is uitgegaan dat) [eiser] ter vervanging van het onteigende landbouwgrond zonder verwachtingswaarde zal kopen. Hij houdt dus, kortgezegd, geld over als hij evenveel vervangende grond koopt als van hem is onteigend.
onderdeel 48.
Onderdeel 49klaagt dat de rechtbank met haar oordeel geen recht doet aan het werk dat de deskundige heeft verricht. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de deskundige als gevolg van de weigering van de Staat om openheid van zaken te geven over het aanwenden van de uit de bodem komende bestanddelen veel werk heeft moeten verrichten om de feiten dienaangaande goed vast te leggen, opdat verweer tegen de stellingen van de Staat kon worden gevoerd. Daargelaten dat de rechtbank die bewijzen heeft gepasseerd blijft volgens het onderdeel staan dat het uitvoeren van deze werkzaamheden als zodanig redelijk is geweest, zowel naar aard als hoogte. Volgens het onderdeel brengen de aan het onderzoek bestede uren al met zich dat tot een bedrag (ver) boven de € 10.000 (incl. btw) terecht aan uren is gemaakt. Het onderdeel wijst erop dat daarnaast nog uren zijn gemaakt voor het opstellen van de taxatie, het voeren van besprekingen en het aanwezig zijn bij descente en pleidooien.
onderdeel 50wordt betoogd dat de vergelijking van het aantal door [betrokkene] gedeclareerde uren met de uren die de taxateurs van de rechtbankcommissie in rekening hebben gebracht mank gaat omdat deze taxateurs pas in de laatste fase van de onteigeningsprocedure aan het werk zijn gegaan en bovendien het taxatiewerk konden verdelen, terwijl [betrokkene] reeds sedert 2010 bij deze onteigeningszaak is betrokken en al het werk zelf moest doen. Dit betoog kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden, omdat niet valt in te zien waarom de rechtbank bij haar beoordeling van de redelijkheid van de door [betrokkene] in rekening gebrachte uren niet mede acht kon slaan op de uren die de taxateurs van de rechtbankcommissie in totaal aan de zaak hebben besteed. Dat zij de werkzaamheden konden verdelen brengt, naar mij voorkomt, niet zonder meer mee dat zij in totaal minder uren behoefden te besteden.