Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
verzwaardemotiveringsplicht te spreken. Hoewel de terminologie niet vast is, zou ik het begrip ‘verzwaarde motiveringsplicht’ willen reserveren voor gevallen waarin, ter bescherming van een bepaald zwaarwegend belang, een uitgangspunt geldt waarvan alleen in uitzonderlijke gevallen mag worden afgeweken. Ik geef twee voorbeelden, één uit het procesrecht en één uit het materiële recht. In verband met het recht op
oral hearinggeldt bij afwijzing van een verzoek om pleidooi een verzwaarde motiveringsplicht. [11] Ter bescherming van het bestaansminimum van de onderhoudsplichtige geldt een verzwaarde motiveringsplicht indien het buiten beschouwing laten van een inkomensvermindering leidt tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. [12]
gewonemotiveringsplicht uiteraard meer gewicht krijgt naarmate de rechter zich van de waardebepaling door de deskundigen verder verwijdert. Ten overvloede nog het volgende. De werkelijke waarde waarvan de rechtbank is uitgegaan (€ 49,85 per m2) ligt krap 11% boven de taxatie van de deskundigen (€ 45,— per m2). Zelf zou ik dat niet ‘substantieel’ willen noemen. Zoals het middel onder 1.3.2 vermeldt, heeft de rechtbank zich aangesloten bij de door de deskundigen gekozen vergelijkingsmethode. In feite heeft de rechtbank op de waardering door de deskundigen niet meer dan een beperkte correctie aangebracht. Van een ‘wezenlijk ander inzicht’ zou ik daarom evenmin willen spreken.
niethet rekenkundige gemiddelde is van de door hen als bruikbaar beoordeelde vergelijkingstransacties, maar het resultaat van een weging waarbij mede is gelet op (i) de intrinsieke relevantie van de transactie, (ii) de bij de transactie betrokken partijen, (iii) de ligging, aard, omvang en gesteldheid van het onroerend goed en (iv) de bestemming ter realisering waarvan elk van de transacties plaatsvond.
hulpmiddelzijn. Mij dunkt dat ze dat zijn in tweeërlei zin. In de eerste plaats worden de deskundigen door vergelijkingstransacties ‘gevoed’, om mede op basis van die transacties – dat wil zeggen in aanvulling op hetgeen de (overige) kennis, ervaring en intuïtie van de deskundigen hen ingeeft – tot een waardering te komen. [13] In de tweede plaats zijn vergelijkingstransacties een hulpmiddel in de verantwoording van die waardering, waarmee de deskundigen hun taxatie min of meer kunnen objectiveren en tot op zekere hoogte controleerbaar maken. Ik zie echter niet in dat dit door de rechtbank is miskend. In dit verband moeten we bedenken dat vanwege de hiervoor bedoelde vrijheid en zelfstandige verantwoordelijkheid van de onteigeningsrechter vergelijkingstransacties ook voor hem in de bedoelde tweeërlei zin hulpmiddel zijn. Weliswaar is juist dat de onteigeningsrechter zelf geen deskundige is, maar dat betekent niet dat hij zich achter de kennis, ervaring en intuïtie van de deskundigen steeds zou mogen verschuilen. Juist ook door het debat over de wel of niet te gebruiken vergelijkingstransacties te waarderen, is de onteigeningsrechter in staat om op verantwoorde wijze aan zijn zelfstandige verantwoordelijkheid inhoud te geven en zijn beslissing voldoende inzichtelijk te motiveren. Mijns inziens is het dit wat de rechtbank in de onderhavige zaak heeft gedaan.
3.Bespreking van de middelen in het incidentele cassatieberoep
eerste middelin het incidentele cassatieberoep maak ik eerst enkele inleidende opmerkingen.
nietwordt gesloopt en dat handhaving van de opstal een kostenbesparing bij de aanleg oplevert.
maar niet voor hetzelfde perceelsgedeelte.In die zin is de samenloop van de vergoeding van de waarde als ruwe bouwgrond met een vergoeding van de waarde van de opstal in het hier bedoelde geval dus niet meer dan schijn.
idealekoper, maar – en daar komt het op aan – hij is geen redelijk handelende koper. Een redelijk handelend koper gaat niet uit van een gecombineerd gebruik dat niet realistisch is. Dat in een dergelijk geval geen vergoeding voor de opstallen kan worden toegekend, volgt ook rechtstreeks uit de rechtspraak van uw Raad, bijvoorbeeld uit het arrest Hoogezand-Sappermeer/ [...] : [23]
bovendieneen vergoeding voor de opstallen toekomt.
niettoestaat. Die lezing van het vonnis is niet de juiste. De rechtbank is, in navolging van de deskundigen, ervan uitgegaan dat een redelijk handelend koper de nieuwe bestemming zal willen realiseren en dat dit, anders dan in de zaak Bergschenhoek/ [B] c.s., onvermijdelijk met de sloop van de opstallen gepaard gaat. Of het overgangsrecht van het bestemmingsplan in de onderhavige zaak handhaving van de opstallen nu wel of niet toestaat, was in de (juiste) gedachtegang van de rechtbank niet van belang, eenvoudig omdat die handhaving voor een redelijk handelend koper geen optie is.
tweede middelis gericht tegen rechtsoverwegingen 2.14 en 2.15 [24] van het vonnis, waar de rechtbank de ruwe bouwgrondwaarde vaststelt. Rechtsoverweging 2.14 heb ik hiervoor onder 2.1 reeds aangehaald. Kort gezegd, beslecht de rechtbank daar het debat over de vergelijkingstransacties en komt ze op grond daarvan tot een beperkte verhoging van de prijs per m2 (ten opzichte van de waardering door de deskundigen). Rechtsoverweging 2.15 luidt vervolgens als volgt:
derde middelin het incidentele cassatieberoep is gericht tegen rechtsoverweging 2.25 van het vonnis, waar de rechtbank oordeelt dat van het door [C] Makelaars gedeclareerde aantal uren, een bedrag van € 10.000,— voor vergoeding in aanmerking komt. Rechtsoverweging 2.25 luidt als volgt: