ECLI:NL:HR:2017:695

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2017
Publicatiedatum
14 april 2017
Zaaknummer
16/00767
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 40c Onteigeningswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in onteigeningszaak over schadeloosstelling en eliminatieregel

In deze zaak stond de vraag centraal hoe de schadeloosstelling na onteigening moet worden berekend, met name in relatie tot de eliminatieregel van artikel 40c van de Onteigeningswet. Eiser had beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 december 2015, waarin de schadeloosstelling was vastgesteld.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Breda en Zeeland-West-Brabant voor het geding in feitelijke instantie en behandelt in cassatie uitsluitend de klachten van eiser. De klachten zijn niet ontvankelijk geacht omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep is gevolgd. De Hoge Raad veroordeelt eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en blijft de schadeloosstelling zoals vastgesteld in stand.

De uitspraak verduidelijkt dat de eliminatieregel ook betrekking kan hebben op waardevermeerdering van de overblijvende grond en bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent schadeloosstelling bij onteigening.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

14 april 2017
Eerste Kamer
16/00767
TT/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.J.L.J. Duijsens en thans mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/02/249530/HA ZA 12-358 van de rechtbank Breda van 20 juni 2012 en de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 december 2015.
Het vonnis van de rechtbank van 16 december 2015 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 16 december 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 3 maart 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 april 2017.