Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.ais het oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat de vordering van Vano tot schadevergoeding wegens tekortschieten door FBS in de nakoming van diens ongedaanmakingsverplichting om de zaak onbezwaard terug te geven een nadere invulling of uitwerking vormt van de vordering tot ongedaanmaking. In ieder geval vormt het oordeel een onvoldoende weerlegging van het betoog van Vano.
subonderdeel 1.bheeft het hof miskend dat een wijziging van eis na cassatie en verwijzing ook toelaatbaar kan zijn indien daarmee aanpassing wordt beoogd van eerst na cassatie en verwijzing gebleken feiten en omstandigheden en de eisvermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens zou worden beslist.
subonderdeel 2.aheeft het hof miskend dat de in de loop van het geding opgetreden inningsonbevoegdheid van FBS grond is om haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar rechtsvorderingen, althans dat de rechtsvorderingen van FBS die strekken tot inning van die verpande vorderingen moeten worden afgewezen.
subonderdelen 2.a en 2.bkunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 3.ageeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het onbegrijpelijk, omdat de vordering tot betaling van de wettelijke rente in de dagvaarding niet voldoet aan de eisen die de wet stelt aan een geldige ingebrekestelling doordat zij geen redelijke termijn bevat waarbinnen alsnog kan worden nagekomen, en doet zich geen uitzondering op het vereiste van een ingebrekestelling voor.
Subonderdeel 3.bbevat een op subonderdeel 3.a voortbouwende klacht.
Subonderdeel 4.abevat een op onderdeel 1 voortbouwende klacht die faalt in het voetspoor daarvan.
subonderdeel 4.bonderzoekt het hof of Vano de nakoming van haar verbintenis tot terugbetaling van de koopsom kon opschorten vanwege de omstandigheid dat Vano een schadevergoedingsvordering wegens het niet-onbezwaard teruggeven van het pand toekomt, maar miskent het hof daarmee dat Vano het recht had om de nakoming van deze verbintenis op te schorten omdat FBS haar verplichting de onroerende zaak onbezwaard terug te geven niet nakwam. Heeft het hof dit niet miskend, dan is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet ingaat op deze opschorting, waarop Vano zich heeft beroepen.
subonderdelen 4.d en 4.ebevatten op de voorgaande subonderdelen voortbouwende klachten die falen in het voetspoor daarvan.
subonderdeel 5.c, dat een op de onderdelen 5.a en 5.b voortbouwende klacht bevat en het lot daarvan volgt.