Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Deed of Incorporationbevat een voorkeursrecht voor mede-aandeelhouders inhoudende dat bij een voorgenomen vervreemding van de aandelen [C] deze moeten worden aangeboden aan de andere aandeelhouder. In een
Shareholders Agreementtussen [B] BV en [I] is voorts een voorkeursrecht opgenomen bij indirecte vervreemding (
Change of Control) van de aandelen [C] .
Shareholders Agreementte respecteren. Na een openbaar bod heeft [L] , een kleindochter van [K] , op 26 oktober 2005 alle aandelen [G] verkregen, een derde deel waarvan zij vervolgens moest verkopen aan de Kazachstaanse staatsoliemaatschappij.
Shareholders Agreement. Bij
Partial Awardheeft het AISCC belanghebbendes voorkeursrecht bevestigd en de partijen opgedragen de waarde per 31 oktober 2005 van het door [G] gehouden belang in [C] te bepalen. Bij
Memorandum of Understandingvan 11 april 2007 zijn zij een waarde van 800 miljoen US$ overeengekomen. De
Final Awardvan 28 oktober 2009 van het AISCC droeg vervolgens [G] op om dier belang in [C] tegen die prijs over te dragen aan de belanghebbende. [G] heeft dat echter niet gedaan. De belanghebbende heeft [G] daarop op 16 augustus 2010 gedagvaard voor de Canadese rechter, die geen uitspraak heeft gedaan omdat het tot een
Amicable Settlementkwam, inhoudende dat de belanghebbende de procedures staakte en haar claims uit de
Partialen
Final Awardintrok, waartegenover [G] een
Settlement Paymentad US$ 438.375.000 betaalde ten titel van “part of Damages”.
Paymentbij de belanghebbende is vrijgesteld als voordeel uit hoofde van een deelneming ex art. 13(1) Wet Vpb. De Rechtbank Noord-Holland meende van niet omdat de belanghebbende geen (economisch) belang bij [G] ’s belang in [C] had verkregen. De Rechtbank zag een schadevergoeding wegens niet-nakoming door [G] van verplichingen uit de aandeelhoudersovereenkomst. Het Hof Amsterdam heeft belang-hebbendes hoger beroep daartegen ongegrond verklaard.
Settlement Paymenthaar toekwam uit hoofde van haar reeds bestaande 50%-belang in [C] (middel I) ofwel haar (afgesplitste) economische belang bij [G] ’s belang in [C] ex haar voorkeursrecht (middel II).
BNB1986/118 heeft u geoordeeld dat ook een rechtspersoon die het hele economische belang heeft bij minstens 5% van de aandelen in een vennootschap een deelneming in de zin van art. 13(1) Wet Vpb heeft. Met het
Falcons-arrest HR
BNB2003/34 heeft u het bereik van de deelnemingsvrijstelling verder verruimd tot gevallen waarin ‘het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, zoals in casu door het schrijven van een optie op dat aandeel’. Ook een (af)gesplitst economisch belang kan voldoende zijn voor activering van de deelnemingsvrijstelling. Een economisch belang kan als deelneming aangemerkt worden als de houder ervan het risico van waardeverandering of tenietgaan van de aandelen draagt en/of belang heeft bij de voordelen uit de aandelen (economische eigendom of optiehouderschap) of recht heeft op levering van nieuw uit te geven aandelen voor een vooraf bekende prijs (
warrantsen conversierechten).
joint venture partner, sluit een voldoende ‘belang’ bij dier aandelen [C] op zichzelf niet uit. Haar voorkeursrecht vertegenwoordigde echter geen belang bij de waardeontwikkeling van [G] ’s aandelen [C] , nu zij bij uitoefening geen vooraf bepaalde, maar de actuele waarde zou moeten betalen. Het gaf geen recht op (uitbetaling van) de waardestijging van een door haar verkocht belang, noch recht op levering tegen een vooraf vaststaande tegenprestatie die haar een risico van waardeverandering zou doen lopen. Het gaf slechts recht op
first refusalvan koop tegen hetzelfde bedrag als het derdenbod. Ook kan, zoals het Hof doorslaggevend achtte, zelfs na de
Final Awardbetwijfeld worden of de belanghebbende
naar Kazachstaans recht beoordeeldvoldoende belang bij [G] ’s aandelen [C] had verkregen om naar Nederlands belastingrecht als (belang)houder bij [G] ’s aandelen beschouwd te worden.
Shareholders Agreementwerd geactiveerd door [L] ’s bod op [G] , zij dat recht heeft ingeroepen en gepoogd heeft het te realiseren. Dat is weliswaar op zichzelf onvoldoende om een ‘belang’ in de zin van uw
Falcons-jurisprudentie aan te nemen, nu de aandeelhouders van [G] ook na de inroeping van het voorkeursrecht nog konden afzien van [L] ’s bod en de belanghebbende dus ook na dat bod geen onvoorwaardelijk recht had vergelijkbaar met een optierecht. Weliswaar was een prijs voor [G] ’s aandelen [C] bepaalbaar op basis van [L] ’s bod en de aandeelhoudersovereenkomst, maar de aandeelhouders van [G] konden nog besluiten überhaupt niet te verkopen. Omdat [G] echter daadwerkelijk is verkocht aan [L] (en [CC] ), is belanghebbendes recht op levering van [G] ’s aandelen [C] onvoorwaardelijk geworden. Daarmee is een positie ontstaan die zich juridisch niet onderscheidt van die van een
calloptiehouder die zijn optie uitoefent en is een voldoende ‘belang’ ontstaan in de zin van uw
Falcons-jurisprudentie. In zoverre treft belanghebbendes cassatieberoep doel. Het Hof lijkt echter - in cassatie onaantastbaar - vastgesteld te hebben dat naar Kazachstaans recht beoordeeld onvoldoende belang bij [G] ’s aandelen [C] is ontstaan om een deelneming in de zin van art. 13(1) Wet Vpb aan te nemen.
Settlement Paymentis volgens ‘s Hofs in cassatie onaantastbare vaststelling van de feiten en uitleg van de
Shareholders Agreement,de
arbitration awardsen de
Settlement Agreementeen vergoeding door [G] van de schade veroorzaakt door contractbreuk. Daarmee vloeit die vergoeding niet of onvoldoende voort ‘uit hoofde van een deelneming’ in de zin van art. 13(1) Wet Vpb. Een
conditio sine qua nonverband is daarvoor onvoldoende: uw jurisprudentie, zoals met name HR
BNB1997/286 en HR
V-N2003/28.15, eist dat de deelneming rechtstreeks de verklaring van het voordeel is; het voordeel moet rechtstreeks uit de deelneming genoten zijn. Dat rechtstreekse belang ontbreekt hier: de wanprestatie zit er preponderant tussen. Ook een
calloptiehouder die niet geleverd krijgt wegens wanprestatie door zijn contractpartner en uit dien hoofde later een schadevergoeding ontvangt, kan voor die schadevergoeding niet de deelnemingsvrijstelling inroepen. Als de uitoefening van een recht om aandeelhouder te worden onrealiseerbaar is door wanprestatie, vloeit de schadevergoeding voor die wanprestatie niet rechtstreeks voort uit het recht om aandeelhouder te worden, maar uit die wanprestatie.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
corporate treeer op dat moment als volgt uit:
Deed of Incorporationvan 22 augustus 1995 c.q. art. 16 van Pro de herregistratie van 10 juni 1997 omschrijft een voorkeursrecht inhoudende dat als een aandeelhouder zijn aandelen wil vervreemden, hij de aandelen moet aanbieden aan de andere aandeelhouder. Art. 16 van Pro de herregistratie bepaalt, voor zover hier van belang:
Pre-emptive purchasing right. The shareholder who wishes to sell its shares shall be liable to offer to the other Shareholder to redeem them, and in the event of a refusal – to the Company itself [ [C] ; PJW]. Such offer should compromise [sic; PJW] all conditions of the transaction required by the Effective legislation. In the event of the Company’s and the Shareholder’s refusal, the Shareholder may sell the shares to the Third parties. The refusal of the Shareholder and/or the Company to purchase the shares can be made by way of the conclusion of an appropriate agreement between the Shareholders and the Company.”
Sale of the shares. Conditions for the sale of the shares to the other Shareholder or the Company and the methodics of determination of the value of the shares shall be determined in the appropriate agreement between them. Such agreement shall also determine an order of the transfer of the rights and obligations and an extent of the rights and obligations transferred.”
Deed of Incorporationbevat geen bepaling over indirecte vervreemding van aandelen, maar de
Shareholders Agreementvan 27 december 1999 tussen onder meer [B] BV en [I] bevat een voorkeursrecht bij voorgenomen indirecte vervreemding (
Change of Control), dat voor zover hier van belang als volgt bepaalt:
Restrictions on Assignment.Without prejudice to Article 3, no assignment of any Interest hereunder shall be made by any Shareholder unless such assignment is made in accordance with the provisions of this Article 9:
Shareholders Agreementoverwogen:
Shareholders Agreementheeft overgenomen. De belanghebbende heeft daarbij haar voorkeursrecht ex [C] ’s
Deed of Incorporationniet uitgeoefend.
Change of Control), waardoor alleen belanghebbendes voorkeursrecht ex de
Shareholders Agreementaan de orde komt. De Rechtbank (overgenomen door het Hof) heeft daaromtrent vastgesteld:
corporate treeer nadien als volgt uit:
Partial Award) die met betrekking tot het voorkeursrecht als volgt luidt:
Memorandum of Understandingvan 11 april 2007 (
MoU).
Final Awardaan het AISCC gevraagd. Daarover heeft de Rechtbank (overgenomen door het Hof) het volgende vastgesteld:
Final Awardgegeven, die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:
Final Awardvermeldt:
Final Awardvan het AISCC uit te voeren, heeft de belanghebbende [G] op 23 november 2009 gedagvaard voor de rechter in Alberta (Canada). Deze procedure is op 16 augustus 2010 geëindigd in een
Amicable Settlement, waarover door de Rechtbank (overgenomen door het Hof) het volgende is vastgesteld:
Amicable Settlementvermeldt onder meer:
Amicable Settlementmede naar de AISCC
Final Award. De door [G] te betalen vergoeding is als volgt opgebouwd (in US$; weergave Rechtbank, overgenomen door het Hof):
-/- 3.500.000
37.002.662
-/- 86.625.000
Amicable Settlement. De Rechtbank achtte de volgende passages relevant:
Amicable Settlement:
Amicable Settlementad US$ 438.375.000. Gelijktijdig heeft hij € 2.277.003 heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 31 januari 2013 de voorlopige aanslag – met handhaving van de voorlopige verliesverrekening – verminderd naar een belastbaar bedrag ad € 282.069.656 en een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend ad € 1.889.441. De heffingsrente is verminderd tot € 2.037.210. De belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de Rechtbank Noord-Holland.
BNB2003/34 (Falconsarrest), [5] zodat de door [G] daarvoor aan haar betaalde vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling moest vallen. De Rechtbank zag echter essentiële verschillen tussen belanghebbendes voorkeursrecht en callopties en daarmee vergelijkbare instrumenten:
BNB2006/7 (Netwerkorganisatie-arrest) [6] :
- tussen de belanghebbende en [G] ter zake geen koopovereenkomst is gesloten;
- het op 11 april 2007 tot stand gekomen
- het voorkeursrecht op zichzelf geen titel oplevert tot levering van de aandelen;
- [G] de aandelen niet heeft aangeboden en evenmin heeft aangegeven onder welke voorwaarden en tegen welke prijs zou kunnen worden overgedragen;
- de
- de overeenstemming over de waarde per 31 oktober 2005 evenmin een recht op levering deed ontstaan omdat geen overeenstemming bestond over de overdracht van de aandelen en het AISCC om een
- de
- uit de
BNB1986/118, [7] het gehele belang bij de aandelen [C] in wezen niet [G] , maar haar toekwam, zodat sprake was van een deelneming. De Rechtbank verwierp dat betoog (r.o. 4.14 – 4.18), overwegende dat [G] ook na de
Final Awardelk recht van de belanghebbende op de aandelen [C] betwistte, dat niet bekend was wat de Canadese rechter zou hebben geoordeeld en dat mogelijk ook de Kazachstaanse rechter zou hebben moeten worden geadieerd, zodat niet met enige zekerheid kon worden gezegd in hoeverre enig belang bij de aandelen bij de belanghebbende was komen te liggen. Voorts moest toestemming worden verkregen van de Kazachstaanse overheid en de Kazachstaanse mededingingsautoriteit alvorens de aandelen [C] zouden kunnen worden overgedragen aan de belanghebbende, terwijl (ook) de Kazachstaanse overheid een voorkeursrecht had dat een reële belemmering kon vormen voor overdracht van de aandelen [C] aan de belanghebbende. De
Amicable Settlementgaat er evenmin vanuit dat het gehele belang bij de door [G] gehouden aandelen [C] bij de belanghebbende is komen te liggen. De Rechtbank concludeerde:
[G] ’s50%-deelneming in [C] . Meer subsidiair stelde zij dat zij een gesplitst belang had bij de door [G] gehouden 50%-deelneming in [C] .
Deed of Incorporation, zie 2.5) slechts ziet op onmiddellijke aandeelhoudersrelaties, zodat de vergoeding niet aan dit statutaire voorkeursrecht valt te relateren, maar alleen aan het voorkeursrecht in de aandeelhoudersovereenkomst (
Shareholders Agreement, zie 2.6) dat ziet op een (middellijke)
Change of Control. De
Change of Controlwaar het om gaat is de overdracht van de aandelen [G] in 2005 aan [L] . Over de vergoeding, overeengekomen in de
Amicable Settlement,overwoog het Hof:
Shareholders Agreementvanaf de
Change of Controlhad in [G] ’s aandelen [C] als een (zelfstandige) deelneming van haar aangemerkt moest worden. Zij had door dat voorkeursrecht aanspraak op [G] ’s aandelen [C] en op de vruchten daaruit. De vergoeding daarvoor valt daarmee onder de deelnemingsvrijstelling, hetzij als afkoop van economische eigendom, hetzij als doorbetaling van dividenden. De belanghebbende achtte niet relevant dat [G] belanghebbendes aanspraken is blijven betwisten ondanks de AISCC
awards. Of de Kazachstaanse overheid al dan niet nog toestemming moest verlenen en al dan niet zelf een voorkeursrecht op [G] ’s aandelen had, achtte zij evenmin relevant.
Final Awardvan het AISCC voor de Canadese rechter is betwist en in een latere fase wellicht ook voor de Kazachstaanse rechter zou worden betwist en dat op grond van art. 5 van Pro het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken [11] tenuitvoerlegging van de
Final Awardin bepaalde gevallen geweigerd kan worden (blz. 5 verweer in hoger beroep).
Amicable Settlementals “part of Damages”. De ‘ne bis in idem’-strekking van de deelnemingsvrijstelling en daarmee samenhangende evenwichtsgedachte brachten het Hof niet tot een ander oordeel. Hij heeft tenslotte met verwijzing naar de in 2.42 en 2.43 opgenomen argumentatie ook belanghebbendes meer subsidiaire stelling verworpen.
3.Het geding in cassatie
Falcons-doctrine op zichzelf als een deelneming van de belanghebbende in [C] kan gelden die de causa is van de vergoeding.
BNB1985/200. [12] Dat arrest is achterhaald door HR
BNB2003/34 (
Falcons), [13] HR
BNB2005/254 (recht op uit te geven aandelen) [14] en HR
BNB2006/7 (Netwerkorganisatie). [15]
BNB2010/278, [16] verhogen betalingen voor de afkoop van voorkeursrechten de kostprijs van een deelneming. Met ’s Hofs oordeel (r.o. 4.2.10) dat, voor zover de door [G] betaalde vergoeding (mede) een afkoopsom zou zijn voor belanghebbendes voorkeursrecht, de vergoeding nog steeds geen voordeel uit hoofde van haar deelneming is, heeft het Hof ten onrechte niet beslist op belanghebbendes beroep op het door dat besluit gewekte vertrouwen dat, gezien de evenwichtsgedachte, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling valt.
Amicable Settlement agreementis opgenomen om de belanghebbende de dividenden te vergoeden waartoe zij uit hoofde van haar reeds bestaande deelneming in [C] gerechtigd zou zijn geweest of om haar te vergoeden voor het opgeven van haar voorkeursrecht.
Partial Award, Final Awarden
Amicable Settlement agreementis niet beslissend voor de vraag of het gaat om een (al dan niet belaste) schadevergoeding of om een voordeel uit hoofde van een deelneming. Zelfs als het om een schadevergoeding zou gaan, valt zij, conform HR
BNB2005/254 [17] , onder de deelnemingsvrijstelling.
BNB2003/34 (
Falcons), [18] HR
BNB2005/254 (recht op uit te geven aandelen) [19] en HR
BNB2008/6 (conversierecht) [20] geen verdere strekking hebben dan optierechten, rechten op levering van aandelen en conversierechten onder de deelnemingsvrijstelling te brengen. Nu de belanghebbende een recht op het door [G] gehouden belang in [C] kon doen gelden op het moment waarop [G] haar vervreemdingsvoornemen kenbaar maakte, had de belanghebbende een (opgesplitst) economisch belang bij het door [G] gehouden belang. Dat wordt niet anders doordat [G] weigerde dat recht te honoreren, noch doordat de belanghebbende heeft ingestemd met een
Amicable Settlementwaarin zij alsnog afzag van haar aanspraak op overdracht van [G] ’s belang in [C] . Evenmin is relevant of al sprake was van een (onvoorwaardelijk) recht op levering en of al dan niet vooraf een uitoefenprijs is vastgesteld.
BNB2005/254 [21] de belanghebbende niet baat omdat die zaak een voordeel uit hoofde van een recht op levering van nog uit te geven aandelen betrof en niet voordelen die opkomen uit reeds gehouden aandelen. Van een voordeel uit hoofde van een recht op levering is in casu echter geen sprake. Het voorkeursrecht in de aandeelhoudersovereenkomst is geen onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen:
Falcons-jurisprudentie:
Amicable Settlementvoortkomt uit belanghebbendes eigen aandelenbezit ten onrechte onderscheid lijkt te maken tussen een voorkeursrecht in [C] ’s statuten en een voorkeursrecht in de aandeelhoudersovereenkomst. Voor de beoordeling van het causale verband tussen de vergoeding en een deelneming acht zij niet relevant in welk document het voorkeursrecht is opgenomen.
BNB1985/200, waaruit het Hof afleidde dat schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling valt, door HR
BNB2003/34 (
Falcons) en HR
BNB2005/254 is achterhaald. Zij acht zich in deze opvatting gesteund door de arresten HR
V-N2004/45.11, HR
BNB2005/254 en HR
BNB2006/7. Uit eerstgenoemd arrest lijkt te volgen dat compensatie voor de waardeontwikkeling van een deelneming onder de deelnemingsvrijstelling kan vallen en uit HR
BNB2005/254 dat een leveringsrecht op aandelen kwalificeert als een (af)gesplitst belang. HR
BNB2006/7 leert bovendien dat een gesplitst belang ook bestaat als de verkoper van een deelneming helemaal geen partij is bij een latere doorverkoop, maar slechts een voorwaardelijk contractueel recht heeft op een deel van de doorverkoopopbrengst. In die zaak oordeelde u immers dat de uit de doorverkoop voortvloeiende betaling aan de oorspronkelijke verkoper vrijgesteld is, hoewel geen recht op teruglevering van de deelneming was overeengekomen. Gezien deze ontwikkeling in de rechtspraak acht de belanghebbende HR
BNB1985/200 achterhaald, nu gesteld kan worden dat ook in de situatie die in dat arrest aan de orde was, sprake was van een gesplitst belang en dat het bij de ontbinding van de koopovereenkomst gerealiseerde resultaat onder de deelnemingsvrijstelling zou moeten vallen (vgl. HR
BNB2003/34 en HR
V-N2004/45.11).
Amicable Settlement,verkregen voordeel onder de deelnemingsvrijstelling valt omdat zij een afgesplitst belang had bij [G] ’s aandelen [C] . Dat realisering van het voorkeursrecht gedwarsboomd wordt door de wederpartij kan de kwalificatie van het (af)gesplitste belang niet veranderen. Ook bij een koop- of optieovereenkomst is het mogelijk dat de wederpartij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt.
4.Analyse van de middelen
Partial Award, de
Final Awarden de
Amicable Settlement agreement. Middel I komt erop neer dat belanghebbendes voorkeursrecht een sequeel was van haar bestaande 50%-aandeelhouderschap in [C] (een recht immers uit een aandeelhoudersovereenkomst, waartoe per definitie alleen de twee aandeelhouders konden toetreden) en dat de door haar ontvangen schadevergoeding ofwel afkoop van dat voorkeursrecht inhoudt, ofwel een vergoeding voor misgelopen dividenden waarop zij recht had, en daarmee in beide gevallen een betaling voor aandeelhoudersrechten voortvloeiende uit die reeds bestaande 50%-deelneming.
Change of Control. Middel II stelt aldus zowel een kwalificatievraag aan de orde (had de belanghebbende een zodanig economisch belang bij de andere 50% dat het zelfstandig kwalificeert als voldoende deelnemingachtig in de zin van de
Falcons-jurisprudentie?) als een causaliteitsvraag (zo ja, is de schadeloosstelling voor het niet kunnen realiseren van het aandeelhoudersvoorkeursrecht dan een voordeel uit hoofde van dat deelnemingachtige belang of uit hoofde van wanprestatie?).
Falcons-doctrine, dan doet het causale verband tussen dat recht en de vergoeding niet ter zake, en andersom: bestaat onvoldoende causaal verband tussen de vergoeding en het voorkeursrecht, dan doet de kwalificatie van dat recht niet ter zake. Het gaat immers om cumulatieve eisen voor de toepasbaarheid van de deelnemingsvrijstelling. Levert het voorkeursrecht wél voldoende ‘belang’ op om als deelnemingsachtig te gelden, dan moet nog onderzocht worden of de schadevergoeding uit hoofde van dat deelnemingsachtige belang is genoten. De eerste vraag lijkt mij meer rechtskundig; de tweede meer feitelijk.
5.De Falcons-doctrine (middel II)
Jurisprudentie en literatuur
conditio sine qua nonvoor toepassing van de deelnemingsvrijstelling. In HR
BNB1986/118 [22] oordeelde u echter dat ook de slechts economische eigenaar van de aandelen ‘aandeelhouder’ is. De deelnemingsvrijstelling werd daarmee ook van toepassing op gevallen waarin de belastingplichtige niet de juridische eigendom, maar wel het
geheleeconomische belang heeft bij een minstens 5%-aandelenbezit. U overwoog:
Falcons-arrest [23] heeft u in 2002 het toepassingsbereik van de deelnemingsvrijstelling verder verruimd tot gevallen waarin
Falcons-arrest.
callopties op bestaande aandelen A NV (falcons) om een door A NV uit te geven obligatielening aantrekkelijker te maken voor de aspirant-obligatiehouders. Zij ontving f 1 miljoen voor de blokkering en falconisering van 25.000 van haar gewone aandelen. Een falcon gaf een obligatiehouder het recht om in een periode van vier jaar een bestaand gewoon aandeel A NV te kopen voor f 140. X BV kreeg ook het recht op die uitoefenprijs. X BV kocht vervolgens op de beurs 25.650 falcons en 41.553 geblokkeerde aandelen, zodat zij eind 1988 bezat: 75.000 niet-geblokkeerde gewone aandelen, 66.553 (25.000 + 41.553) geblokkeerde gewone aandelen, 6.250 preferente aandelen en 25.650 falcons. In 1990 verkocht zij het geheel. In geschil was onder meer of de opbrengst van de falcons onder de deelnemingsvrijstelling viel. U overwoog:
Falcons-arrest achtte het Hof Den Haag [24] in 2003 een schadevergoeding betaald aan een derde niet aftrekbaar maar vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. De betrokken belastingplichtige had in 1995 een
calloptie aan F NV verleend op haar aandelen in B BV, die aandelen hield in de Australische C Ltd. Bij een herstructurering eind 1997 had B BV haar belang in C Ltd. vervreemd. De belanghebbende en F NV ontbonden toen de optieovereenkomst en de belanghebbende betaalde F NV het verschil tussen de waarde van het indirecte belang C Ltd en de uitoefenprijs van de calloptie. Het Hof overwoog:
Falcons-arrest met ‘het opsplitsen van het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel’ voor ogen had dat de juridische eigenaar van een aandeel niet het gehele economische belang bij dat aandeel heeft (ik laat voetnoten weg):
BNB1958/84) [28] en het belang bij de voordelen van het voorwerp van juridische eigendom (de gerechtigdheid tot de dividenden; HR
BNB2003/34) [29] . Het lijkt niet van belang of zeggenschapsrechten (geheel) aan de economische eigenaar toekomen (HR
BNB1986/4 [30] en HR
BNB1998/178) [31] .
Falcons-arrest riep vragen op over zijn reikwijdte. [32] HR
BNB2005/254 [33] betrof de vraag of de deelnemingsvrijstelling ook geldt ter zake van
warrants(optierecht op nieuw uit te geven aandelen). Daarbij is immers geen sprake van opsplitsing van het economische belang bij een (bestaand) aandeel. Pas als de
warrantwordt uitgeoefend, geeft de vennootschap de aandelen uit. De belanghebbende in HR
BNB2005/254 hield alle aandelen A NV en vormde met haar een fiscale eenheid. Op 1 december 1997 sloten A NV en B AG een overeenkomst strekkende tot overdracht door A NV van haar distributieactiviteiten aan haar dochter C en overdracht van alle aandelen in C aan B AG, tegen uitreiking door B AG aan A NV van nieuw uit te geven aandelen B. Zouden die nieuwe aandelen B niet binnen drie maanden zijn uitgegeven, dan moest B de belanghebbende een bepaald bedrag voldoen. In 1998 verkreeg de belanghebbende de nieuwe aandelen B. In geschil was of de belanghebbende een gestelde (verwachtings)waardedaling ad ruim f 431 miljoen in december 1997 ter zake van die aandelen ten laste van haar fiscale winst kon brengen. Volgens het Hof Amsterdam [34] ging het niet om een recht op aflossing van een lening, maar om een recht op levering van aandelen waarvan de waardeontwikkeling onder de deelnemingsvrijstelling viel:
BNB2006/7 [35] (Netwerkorganisatie) betrof een belanghebbende die in 1995 van de niet-belastingplichtige vereniging B alle aandelen G BV kocht voor f 5.000.000 onder de verplichting om, als zij die aandelen binnen vijf jaar voor meer zou verkopen, een deel van dat meerdere af te dragen aan B. In 1999 verkocht de belanghebbende de aandelen G BV voor f 350.000.000, waarna zij f 70.110.000 betaalde aan B’s rechtsopvolger. Ik betoogde dat zich – anders dan in het
Falcons-arrest – geen van de aandelen afgesplitst belang voordeed:
voordoenvan een waardestijging van aandelen (het risico) is immers niet hetzelfde als het hebben van de
mogelijkheid tot realisatievan die waardestijging. Pas in het laatstgenoemde geval kan naar mijn mening worden gesproken van het
dragenvan het desbetreffende risico. In geval van een waardestijging van de aandelen zou Vereniging B alleen dan over (een deel van) deze waardestijging hebben kunnen beschikken indien belanghebbende zou besluiten de deelneming te verkopen binnen een bepaalde periode. Vereniging B was in casu - anders dan een houder van een calloptie - derhalve volledig afhankelijk van een door belanghebbende te nemen besluit. Dit is naar mijn mening onvoldoende om Vereniging B aan te kunnen merken als de
dragervan het risico van (een deel van de) waardestijgingen van de aandelen. [37] Er was vanuit de positie van Vereniging B bezien derhalve géén sprake van een rechtstreeks belang bij (de waardestijging van) de aandelen. [38] ”
BNB2006/7 af dat
enigeconomisch belang bij aandelen, ook zonder directe link met de deelneming, al voldoende kan zijn voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling:
warrantsen conversierechten. Het bijzondere aan het arrest is dat u kennelijk niet relevant achtte dat de mogelijkheid om het recht te realiseren, onttrokken was aan elke invloed van de rechthebbende en volstrekt afhing van de luim van een ander; geheel anders dus dan bij een optie,
warrantof conversierecht. Dat nam volgens u kennelijk niet weg dat de verkoopster een rechtstreeks belang in de waarde-ontwikkeling van de door haar verkochte deelneming behield, voldoende om onder de deelnemingsvrijstelling te vallen.
BNB2008/6 [42] betrof aan een obligatielening gekoppelde conversierechten. U kwam terug van HR
BNB1982/72. [43] De belanghebbende in
BNB2008/6 verwierf 33% in A BV, waarna zij aan A BV een converteerbare obligatielening verstrekte. In verband met een beoogde beursgang van A BV werden de obligaties niet lang daarna geconverteerd in aandelen. Het Hof Amsterdam [44] meende dat het bij de conversie door de belanghebbende gerealiseerde voordeel onder de deelnemingsvrijstelling viel. U bevestigde dat voordelen uit conversierechten onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen:
warrants-zaak HR
BNB2005/254 (zie 5.9) ̶ niet naar het
Falcons-arrest verwees, maar u baseerde op ‘(toekomstig) aandeelhouderschap’, kan er volgens Rozendal [45] in gelegen zijn dat u u alsnog realiseerde dat men geen ̶ al dan niet afgesplitst belang – kan hebben bij nog niet bestaande aandelen, mede gezien HR
BNB1995/177, [46] waarin u oordeelde dat economische eigendom van (i.e. het gehele economische belang bij) nog niet bestaande aandelen niet mogelijk is.
Analyse en toepassing
belangbij (de waardeontwikkeling van of de dividenden op) dat pakket en (ii) dat van toekomstig, potentieel of voormalig
aandeelhouderschap. De term ‘belang’ wordt mijns inziens door u gebruikt om een rechtsbetrekking aan te geven die een
potentiëleof
voormaligedeelneming vertegenwoordigt; die dus toekomstig, mogelijk of voormalig
aandeelhouderschapvertegenwoordigt: een geheel of gedeeltelijk recht op een kwalificerend aandelenbelang.
warrantsen conversierechten passen naadloos in die benadering. Ook het op het eerste gezicht moeilijker plaatsbare Netwerkorganisatie-arrest HR
BNB2006/7 (zie 5.12) past hierin: u zag in die zaak immers een bij de (vrijgestelde) verkoop van de deelneming voorbehouden recht op (en daarmee een opsplitsing over koper en verkoper van het economische belang bij) de waardeontwikkeling van de verkochte deelneming. Dat de voormalige aandeelhouder, nu belanghouder, geen invloed had op de
realiseerbaarheidvan dat ‘belang’, achtte u niet relevant. Haar behouden belang bij de waardeontwikkeling van haar verkochte deelneming was een kwalificerend residu van haar volle aandeelhouderschap.
BNB2003/34 (
Falcons), [50] HR
BNB2005/254 (recht op uit te geven aandelen) [51] en HR
BNB2008/6 (conversierecht) [52] geen verdere strekking hebben dan optierechten, rechten op levering van nieuwe aandelen en conversierechten onder de deelnemingsvrijstelling te brengen.
warrants, zie 5.9, en conversierechten, zie 5.17).
joint venture partner), sluit een voldoende ‘belang’ dus niet uit. Het litigieuze voorkeursrecht vertegenwoordigde echter geen belang bij waardeontwikkeling. Het gaf geen recht op (uitbetaling van) de waardestijging van een door haar verkochte deelneming, noch een recht op levering van aandelen tegen een vooraf vaststaande tegenprestatie die haar een risico van waardeverandering zou doen lopen. Het was slechts een recht op
first refusalvan koop tegen marktprijs.
Als[G] haar aandelen [C] of
als[G] ’s aandeelhouders hun aandelen [G] zou(den) willen verkopen aan een andere aandeelhouder of een derde en
alsde belanghebbende haar voorkeursrecht zou willen uitoefenen, zou de belanghebbende dezelfde prijs betalen als overeengekomen tussen [G] of haar aandeelhouders en de potentiële koper. Anders dan Vereniging B had zij niet op grond van haar voorkeursrecht recht op uitbetaling van waardestijging of van dividenden, laat staan op grond van de verkoop, door haar, van een kwalificerende deelneming. Haar voorkeursrecht gaf haar geen ander recht dan het zijn van de eerste partij aan wie de aandelen in [C] tegen bodwaarde aangeboden moesten worden bij voorgenomen verkoop aan een derde. Schul en Knops betogen in
WFR2015/1046 en 2015/1069 [53] dat zodra een derde een bod doet op de deelneming van de mede-aandeelhouder, een aandeelhoudersovereenkomst met voorkeursrecht recht geeft op het
matchenvan dat bod en dat dat
matching-recht leidt tot een gesplitst belang bij de aandelen van de mede-aandeelhouder. Het eerste kan zo zijn, maar het tweede volgt daar niet uit. Juist omdat het om een
bevoegdheidtot
matchingvan het derdenbod (de marktwaarde dus) gaat, heeft de
matching-gerechtigde geen recht op enige waardeontwikkeling of dividenden en wordt dus ook geen ‘belang’ daarbij gerealiseerd door uitoefening van het voorkeursrecht. Schul en Knops gaan bovendien uit van een ‘afkoop van het voorkeursrecht’. Daarvan is volgens het Hof in casu geen sprake. Evenmin is sprake van een onvoorwaardelijk recht op levering vergelijkbaar met een
calloptierecht. Ook als de voorkeursgerechtigde aandeelhouder zijn voorkeursrecht inroept na melding van voorgenomen verkoop door zijn medeaandeelhouder aan een derde (zoals de belanghebbende in casu tijdig heeft gedaan; zie r.o. 2.9 en 2.10 Rechtbank), kan die medeaandeelhouder immers nog steeds afzien van zijn voornemen tot verkoop (bijvoorbeeld omdat hij zijn belang wel aan die derde, maar niet aan zijn medeaandeelhouder wil verkopen), waardoor het voorkeursrecht geen voorwerp heeft. U vergelijke het voorkeursrecht in de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc): [54] na Wbc-listing en nadat de Minister van OC&W bedenkingen heeft kunnen tegen in art. 7(1) Wbc opgenomen rechtshandelingen, zoals verkoop van beschermde voorwerpen, wordt onderhandeld tussen de Minister en de eigenaar over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden (art. 12, lid 1, Wbc). Een uiting van bedenkingen kan gedurende drie maanden als aanbod van de Staat tot aankoop van betreffende beschermde voorwerp (art. 10(1) Wbc. Leiden de onderhandelingen niet tot overeenstemming, dan kan de Rechtbank Den Haag worden verzocht de prijs vast te stellen (art. 12(2) Wbc). Maar ook na onherroepelijke vaststelling van de koopprijs(vgl. in casu de
FinalAward), kunnen beide partijen afzien van ver- c.q. aankoop (art. 13 Wbc Pro).
joint venturein [C] op een vergelijkbare wijze als Vereniging B in het Netwerkorganisatie-arrest belang had (behouden) bij de waardeontwikkeling van de door haar verkochte deelneming. Daarmee zou overigens de vrijstelling nog niet binnen zijn omdat ook voldaan moet worden aan de eis dat de schadevergoeding ‘uit hoofde’ van dat belang is genoten, waarover nader hieronder.
NTFR2015/2266. Hij onderscheidt vijf beoordelingsmomenten voor de vraag of de belanghebbende voldoende belang had bij [G] ’s aandelen [C] :
pre-emptive purchasing rightin [C] ’s
Deed of Incorporationgaf de belanghebbende volgens Van Dun geen, al dan niet afgesplitst, belang bij de door [G] in [C] gehouden aandelen, want:
Deed of Incorporationopgenomen voorkeursrecht niet ziet op een
indirecte
Change of Controlzoals in casu;
pre-emptive purchasing rightin de S
hareholders Agreementwas volgens Van Dun evenmin een vervreemding of afsplitsing van de aandelen [C] ten gunste van medeaandeelhouder(s), noch een recht op levering te hunnen gunste, want:
Partial Awardcrëerde evenmin een al dan niet gesplitst belang van de belanghebbende bij [G] ’s aandelen [C] , nu deze:
Final Awarddaarentegen gaf de belanghebbende volgens Van Dun onvoorwaardelijk recht op levering van [G] ’s aandelen [C] :
Final Awardeen titel tot levering opleverde naar relevant (Engels of Kazachstaans) recht. Die
awardbepaalde dat de partijen nog een overeenkomst tot overdracht van de aandelen moesten sluiten (‘to execute a share agreement’). Als er nog geen obligatoire overeenkomst tot overdracht en levering tussen de aandeelhouders was, maar slechts de (naar
Zweedsrecht hen kennelijk bindende)
opdrachtdaartoe, lijkt mij dat er nog geen rechtens relevante titel tot levering was, althans dat het Hof aldus kon oordelen. Wat betreft mogelijke economische eigendom was voor het Hof, anders dan Van Dun lijkt te veronderstellen, mijns inziens niet zozeer relevant dat de belanghebbende
in feitehaar voorkeursrecht niet kon uitoefenen, maar juist dat zij
in rechtegeen relevant economisch belang had verworven, met name niet naar Kazachstaans recht. De
Shareholders Agreementbepaalt: “This Agreement shall be governed and construed in accordance with the laws of the Republic of Kazakhstan without regard to the conflict of law rules”. Het gaat hier overigens ofwel om een feitelijk oordeel (de uitleg van
agreementsen
arbitral awards), ofwel om de uitleg van buitenlands recht, waar u in beginsel niet in treedt (u zie de conclusie van 30 augustus 2006 bij HR
BNB2009/93 [55] ) en schending waarvan geen grond voor cassatie is (art. 79 Wet Pro RO). [56]
Amicable Settlementten slotte is volgens Van Dun een schikking tussen de aandeelhouders waarbij de belanghebbende onder meer afziet van haar rechten uit de
Final Award, waaronder het recht op levering van [G] ’s aandelen [C] , tegen een schadeloosstelling ad $ 438.375.000. Zijns inziens was onder die omstandigheden de schadeloosstelling geen (vrijgesteld) voordeel uit hoofde van een deelneming, maar een (belaste) schadevergoeding voor het prijsgeven van de aanspraken uit (onder meer) de
Final Award. Ik meen dat deze analyse niet meer over de kwalificatie van belanghebbendes rechten gaat (dus niet over de vraag of zij een kwalificerend belang hield), maar over causaliteit,
i.e.over de vraag of de schadevergoeding (overwegend) een voordeel uit hoofde van een kwalificerend belang was of (overwegend) een andere causa (de wanprestatie of de schikking daarvan) had. Ik versta Van Dun aldus dat hij meent dat zelfs al bestond een kwalificerend belang, de schadevergoeding niet rechtstreeks daaruit voortvloeide, maar uit de schikking van het contractbreukgeschil.
Amicable Settlement, maar snijdt de causaliteitsvraag aan. Daarover gaat onderdeel 6.
Change of Control’) is levering door [G] aan haar van de aandelen [C] nog steeds mogelijk, ondanks de verkoop van [G] aan [L] . Weliswaar konden de aandeelhouders [G] na inroeping van belanghebbendes voorkeursrecht nog steeds afzien van hun voornemen tot verkoop aan [L] , maar vast staat dat zij dat niet gedaan hebben; zij hebben verkocht. Daarmee is, althans volgens de
Final Award, belanghebbendes recht op levering van de aandelen [C] onvoorwaardelijk geworden en lijkt zij in een positie te zijn geraakt die juridisch niet verschilt van die van een
calloptiehouder: zij had op afroep onvoorwaardelijk recht op levering tegen een vaststaande, althans bepaalbare prijs die achteraf bij
arbitration awardsen
MoUis vastgesteld. Daarmee is mijns inziens, gezien de geciteerde rechtspraak, in beginsel voldoende onvoorwaardelijk ‘belang’ bij [G] ’s aandelen in [C] ontstaan om de deelnemingsvrijstelling van toepassing te achten. Het Hof lijkt zijn oordeel dat zulks niet het geval is, echter evenzeer gebaseerd te hebben op zijn – in cassatie slechts zeer beerkt toetsbare – uitleg van Kazachstaans (overheidsvoorkeurs)recht en
subsoil-wetgeving. Volgens het Hof heeft de belanghebbende kennelijk op basis van het in casu beslissende Kazachstaanse recht geen onvoorwaardelijk recht verkregen dat naar Nederlands (belasting)recht vergelijkbaar is met een optie,
warrant, conversierecht of ander onvoorwaardelijk recht op levering tegen een vaste prijs op een bepaald moment, noch een onvoorwaardelijk recht op uitbetaling van waardeontwikkeling of van dividenden. Ik meen dat een dergelijk oordeel over (de gevolgen voor de toepassing van het Nederlandse belastingrecht van) buitenlands recht mogelijk beter gemotiveerd zou kunnen worden, maar dat ook als het Hof op dit punt al gekapitteld zou kunnen worden, zulks de belanghebbende niet baat omdat – zoals hieronder bij de behandeling van de causaliteitsvraag zal blijken – ook als wél voldoende ‘belang’ zou zijn ontstaan, het Hof kon oordelen dat de schadevergoeding niet is genoten ‘uit hoofde van’ dat belang.
6.Voordelen ‘uit hoofde van’ een deelneming (beide middelen)
falcons-jurisprudentie. Alsdan moet niet alleen in verband met haar bestaande 50%-deelneming, maar ook in verband met dat ‘belang’ bij de overige 50% beoordeeld worden of de door haar ontvangen schadevergoeding is genoten ‘uit hoofde van’ ofwel die bestaande 50%-deelneming, ofwel uit dat ‘belang’ bij de overige 50%. De term ‘voordelen uit hoofde van’ in art. 13(1) Wet Vpb impliceert dat het voordeel uit de deelneming moet voortvloeien om vrijgesteld te zijn. Uit de parlementaire geschiedenis van deze term, ingevoerd bij de Wet Vpb in 1969, zoals weergegeven in de conclusie van de A-G Van Soest voor HR
BNB1985/200, [57] blijkt dat de term (ook) diende om aan te geven dat de deelnemingsvrijstelling voortaan niet alleen voor dividenden maar ook voor koerswinsten- en verliezen gold. De term ‘voordelen’ moest “algebraïsch” worden opgevat als ‘resultaten’.
BNB1985/200 [60] betrof een ontvangen schadevergoeding wegens niet-afnemen. De belanghebbende had in 1970 haar 25%-belang in A BV verkocht aan de B groep voor f 250.000. Afname en betaling bleven echter uit, en in 1971 verkocht de belanghebbende de deelneming voor f 1 aan NV D. In 1973 ontving de belanghebbende van de B groep een in 1972 overeengekomen schadevergoeding wegens niet-afname. Volgens het Hof Amsterdam viel de schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling omdat (i) de belanghebbende in 1972 geen aandeelhoudster meer was en (ii) de vergoeding geen voordeel uit hoofde van een deelneming was omdat zij betaald resp. ontvangen werd uit hoofde van het recht op c.q. de verplichting tot schadeloosstelling wegens wanprestatie:
BNB1997/286 [61] was het spiegelbeeld van HR
BNB1985/200. De belanghebbende huurde ruimte in het door B BV geëxploiteerde B-centrum. Volgens de statuten van B BV kon aandeelhouder van B BV slechts zijn degene die tevens ruimte in B-centrum huurde, zij het dat de Raad van Commissarissen uitzonderingen toe kon staan. Voorafgaand aan het tekenen van de huurovereenkomst tussen de belanghebbende en B BV was door D BV een bod gedaan op de aandelen B BV. Op grond van een overeenkomst met D BV kon B BV geen nieuwe aandelen meer uitgeven. Vanwege bij de belanghebbende gewekte verwachtingen dat zij aandelen B BV zou verkrijgen, werd haar een schadevergoeding betaald ad het verschil tussen de overeengekomen aandelenprijs en D BV’s bod. Het Hof achtte de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing omdat de belanghebbende nimmer aandeelhouder was geweest: [62]
BNB2000/318 [63] was in 1960 door de huurders van A BV, waaronder de belanghebbende, een vennootschap C BV opgericht met het doel de aandelen A BV te verkrijgen, welk doel ook werd verwezenlijkt. Na 1960 werden de huren alleen verhoogd als de exploitatiekosten verhoging noodzakelijk maakten. In 1991 verkocht de belanghebbende haar deelneming in C BV en haar huurrechten ter zake van panden van A BV aan een derde. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het daarmee behaalde voordeel niet kon worden toegerekend aan de deelneming in C BV, maar moest worden toegerekend aan de huurrechten, zodat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was. Dat oordeel bleef in cassatie in stand: [64]
BNB2000/318:
V-N2003/28.15 [65] betrof een overeenkomst tussen C NV en B tot samenwerking bij research in een BV waarin C NV alle aandelen bezat, maar waarin B via diens X BV een 40%-belang zou krijgen. De samenwerking werd echter beëindigd voordat het zo ver kwam en C NV betaalde f 3,5 miljoen vergoeding aan X BV. Het Hof overwoog dat het 40%-belang in de Research-BV nooit aan X BV was geleverd en dat X BV nimmer juridisch of economisch eigenaar van deze aandelen was geweest, zodat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was. [66] Volgens Albert bevestigde dit arrest dat een schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling kan vallen als de ontvanger ervan geen deelneming heeft gehad. [67]
BNB1985/200 [70] volgt immers dat ook als wél een overeenkomst tot stand is gekomen die vervolgens wordt geschonden, de afwikkeling van die wanprestatie zich niet in de deelnemingssfeer, maar in de belaste-winstsfeer afspeelt. In welke fase van de contractuele relatie zich de wanprestatie voordoet, doet mijns inziens voor de deelnemingsvrijstelling niet ter zake. In alle gevallen is niet de deelneming, maar de wanprestatie de verklaring voor de schadevergoeding.
BNB2005/372 [71] was de belanghebbende met een partner een
joint ventureaangegaan en hadden zij een gezamenlijke dochtervennootschap opgericht. Overeengekomen was dat de partner aan de belanghebbende een bepaald bedrag zou betalen als de jaarwinst van de gemene dochter in de eerste drie jaren zou tegenvallen. Op grond van deze overeenkomst ontving de belanghebbende een bedrag. U bevestigde ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende dat voordeel niet ontleende aan de deelneming maar aan haar marktpositie:
BNB2012/163 [72] betrof een zaak waarin de belanghebbende een fiscale eenheid vormde met A BV. A BV hield één aandeel D NV. A BV en D NV hadden een managementovereenkomst die bepaalde dat bij beëindiging ervan A BV het aandeel D NV moest overdragen aan een stichting. In 2004 werd de managementovereenkomst beëindigd en droeg A BV haar aandeel D NV over aan de stichting. A BV ontving van D NV voorts een bedrag als vergoeding voor de beëindiging van de managementovereenkomst. In geschil was of deze vergoeding gedeeltelijk als voordeel uit hoofde van een deelneming kon gelden waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was. Het Hof Den Haag had deze vraag ontkennend beantwoord: [73]
BNB1985/200 (zie 6.4 hierboven) betrof de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2013, nr. 12/00621 [74] een schadevergoeding wegens het niet doorgaan van de verkoop van (kantoorpanden c.q.) een deelneming. De belanghebbende hield alle aandelen in Vastgoed BV die twee kantoorpanden bezat ter zake waarvan de belanghebbende met B BV een concept-koopovereenkomst sloot die de optie open liet dat niet de panden, maar de aandelen Vastgoed BV zouden worden geleverd. B BV zag echter af van de koop, tegen betaling van een schadevergoeding ad € 680.000. Het Hof achtte daarop de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing omdat het voorwerp van de concept-koopovereenkomst onvoldoende bepaalbaar was, zodat geen koopovereenkomst tot stand was gekomen, terwijl evenmin een belang was overgegaan:
conditio sine qua nonverband tussen voordeel en deelneming onvoldoende is voor het causale verband dat de term ‘uit hoofde van’ in art. 13 Wet Pro Vpb eist. De deelneming moet rechtstreeks de verklaring van het voordeel zijn; het voordeel moet rechtstreeks uit de deelneming genoten zijn. De geciteerde jurisprudentie lijkt dus te stroken met de leer van de adequate veroorzaking (naar algemene ervaringsregelen leidt niet het houden van een deelneming, maar wel de hoedanigheid van gelaedeerde tot ontvangst van schadevergoeding) of met de leer van de
causa proxima(de laatste oorzaak in de causale keten is de beslissende), maar dat u die civielrechtelijke (schadetoerekenings)leerstukken zou gebruiken, is niet waarschijnlijk, nu zij ook in het civiele recht verlaten zijn c.q. nooit veel voet aan de grond hadden (daar heerst sinds de invoering van het huidige BW de leer van de redelijke toerekening [77] ) en bovendien zagen op het causale verband tussen de schade en de aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis/handeling. Die causaliteit is in casu niet in geschil: de partijen zijn het erover eens dat belanghebbendes schade veroorzaakt is door de schending van haar contractuele rechten door haar
joint venturepartner. Het gaat om een ander verband: dat tussen de schadevergoeding en belanghebbendes (i) aandeelhouderschap c.q. (ii) contractuele voorkeursrecht.
op zichzelfeen deelneming oplevert – dat de schadevergoeding genoten is uit hoofde van dat belang. Ik meen dat uit HR
BNB1997/286 (zie 6.5) en HR
V-N2003/28.15 (zie 6.7) al volgt dat de schadevergoeding niet rechtstreeks uit hoofde van dat belang is genoten, maar uit hoofde van de schending van belanghebbendes contractuele voorkeursrecht door [G] , althans dat het Hof zonder schending van het recht of van zijn motiveringsplicht aldus heeft kunnen oordelen. Zoals ik al in 5.25(ad (v)) betoogde: als de uitoefening van een recht om aandeelhouder te worden onrealiseerbaar is door wanprestatie, vloeit de schadevergoeding voor die wanprestatie niet rechtstreeks voort uit dat recht om aandeelhouder te worden, maar uit die wanprestatie. De schadevergoeding wordt niet rechtstreeks in hoedanigheid van (toekomstig of potentieel of voormalig) aandeelhouder genoten, maar in hoedanigheid van contract-gelaedeerde, net zoals de verzekeringsuitkering wegens onteigening van een deelneming niet rechtstreeks uit de deelneming wordt genoten, maar in de eerste plaats uit het verzekeringscontract. Dat het verzekeringscontract gesloten is om het aandeelhouderschap te verzekeren, neemt niet weg dat het niet het aandeelhouderschap is dat recht geeft op de uitkering, maar de hoedanigheid van verzekerde in combinatie met het voorvallen van het verzekerde onheil, de onteigening, die geen resultaat uit de deelneming is. Het causaliteitsonderdeel van middel II faalt dus mijns inziens.
bestaande50%-aandeelhouderschap omdat per definitie alleen aandeel-houders contractant konden zijn. Zij ziet een zodanige verknochtheid tussen haar bestaande 50%-deelneming en (de schadevergoeding voor het frustreren van) haar voorkeursrecht dat de schadevergoeding een voordeel is ‘uit hoofde van’ die bestaande deelneming.
dooreen aandeelhouder en alleen
jegenseen aandeelhouder. Dat lijkt mij echter niet wezenlijk. Ook voor de verkoop van een deelneming is aandeelhouderschap vereist, maar dat neemt niet weg dat een schadevergoeding voor het niet nakomen van de verkoopovereenkomst niet rechtstreeks uit dat aandeelhouderschap opkomt, maar uit de contractuele relatie met de koper (HR
BNB1985/200, zie 6.4 hierboven; ook in die zaak kon de wanprestatie alléén worden gepleegd jegens de aandeelhouder die had verkocht). Was de belanghebbende een transportbedrijf of een sojabonenhandelaar geweest en had zij (i) niet aandelen willen kopen, maar een vrachtwagen of een partij sojabonen, (ii) alleen met korting kunnen kopen omdat zij lid was van de desbetreffende ondernemersvereniging en (iii) een schadevergoeding ontvangen wegens niet-nakoming door de verkoper, dan was die schadevergoeding mijns inziens niet in de eerste plaats in de hoedanigheid van (lid van de) transportbedrijf- of sojabonenhandelaar(vereniging) genoten, maar in de eerste plaats in de hoedanigheid van teleurgestelde koper die de contractuele korting (negatief contractbelang) en mogelijk positief contractbelang is misgelopen.
V-N2004/45.11 (uitbetaling optiebelang bij ontbinding optieovereenkomst vrijgesteld), dat u met art. 81 RO Pro afdeed, mijns inziens niet over causaliteit gaat, maar over de kwalificatie van het belang. Dat belang was een
calloptie die bij uitoefening een volledige deelneming zou opleveren. In geschil was niet de vraag of de uitbetaling van het optiebelang voldoende causaal verband hield met de optie, maar de vraag of het resultaat op een optie op een deelneming onder de deelnemingsvrijstelling valt ook als de optie niet wordt uitgeoefend. De optiehoudster verloor in die zaak haar belang bij de optie doordat de betrokken deelneming haar Australische dochter C Ltd had verkocht waar het de optiehoudster om ging. De optiepartijen kwamen daarom nader overeen dat de optie verviel en dat de optieschrijfster de optiehoudster het verschil uitbetaalde tussen de waarde van het indirecte belang C Ltd en de optie-uitoefenprijs. Hoewel het Hof die betaling ‘schadevergoeding’ noemde, gaat het om alternatieve afwikkeling van de optie en (dus) om een betaling rechtstreeks uit hoofde van de optie (nakoming).
Falcons-arrest volgt weliswaar dat het resultaat op
callopties op aandelen onder de deelnemingsvrijstelling valt als uitoefening tot een deelneming zou leiden, maar dat zegt niets over de gevallen waarin (i) de koper de opties niet afneemt en niet betaalt (wanprestatie) en op die grond een schadevergoeding betaalt, of (ii) ondanks optie-uitoefening de aandelen niet geleverd worden als gevolg van wanprestatie en op die grond een schadevergoeding wordt ontvangen. Mijns inziens hoort belanghebbendes beroep op het
Falcons-arrest en HR
BNB2005/254 en HR
BNB2006/7 dan ook niet thuis in middel I (dat over causaliteit gaat), maar in middel II (is het voorkeursrecht een voldoende ‘belang’?). Niet in geschil is dat belanghebbendes bestaande 50%-belang, waarop middel I ziet, met vlag en wimpel kwalificeert als deelneming, zodat de genoemde arresten, die niet gaan over causaliteit, maar over de vraag of opties,
warrantsen conversierechten voldoende ‘belang’ bij aandelen geven om onder de deelnemingsvrijstelling te kunnen vallen (antwoord: ja), niet relevant zijn voor middel I.
V-N [80] en Snel [81] ̶ dat HR
BNB1985/200 (schadevergoeding; zie 6.4 hierboven) achterhaald zou zijn door de
Falcons-rechtspraak. De
Falcons-jurisprudentie gaat immers niet over de
casualiteitvan
schadevergoedingen, maar over
kwalificatievan
belangenal dan niet als deelneming. Van der Geld [82] en Albert [83] betogen mijns inziens terecht dat de rechtspraak over schadevergoedingen, zoals HR
BNB1985/200, nog van kracht is. Albert wijst er daarbij op dat HR
V-N2003/28.15 (zie 6.7 hierboven) een half jaar na het Falcons-arrest is gewezen.
BNB1985/200 werd de schadevergoeding gerelateerd aan de waardeverandering van de deelneming ten opzichte van de overeengekomen koopprijs, maar dat maakte haar geen voordeel uit hoofde van een deelneming. De wijze van schadebegroting verandert het karakter van de schadevergoeding niet en een recht op vergoeding van een onrechtmatig onthouden voordeel is niet hetzelfde als dat voordeel. Dat moge juridisch punaisepoetsen lijken ter zake van een betaling die economisch toch min of meer het misgelopen voordeel uit de deelneming vertegenwoordigt, maar niets weerhoudt de gelaedeerde om ook de belastingschade veroorzaakt door de wanprestatie (schadevergoeding ex wanprestatie is belast terwijl nakoming niet belast zou zijn geweest) in de schadestaatprocedure in te brengen als te vergoeden schade en uiteen te zetten dat de schadevergoeding naar Nederlands belastingrecht bij de laedens aftrekbaar is, dus op grond van de evenwichtgedachte hoger dan nominaal moet zijn.