ECLI:NL:HR:2012:BW0936
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op beëindigingsvergoeding managementovereenkomst
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit X Holding B.V. en A B.V., voerde in cassatie aan dat een ontvangen beëindigingsvergoeding onder de deelnemingsvrijstelling viel. Deze vergoeding betrof de beëindiging van een managementovereenkomst tussen A B.V. en D N.V., waarbij A B.V. haar aandeel in D overdroeg aan een stichting tegen nominale waarde.
De Rechtbank en het Hof hadden reeds geoordeeld dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was, omdat de vergoeding niet voortkwam uit het aandeelhouderschap maar uit de beëindiging van de managementovereenkomst. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het fiscaal als dividend aanmerken van jaarlijkse managementvergoedingen niet automatisch betekent dat ook de beëindigingsvergoeding als aandeelhoudersvoordeel moet worden beschouwd.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest benadrukt de strikte toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de noodzaak dat voordelen daadwerkelijk voortvloeien uit het aandeelhouderschap.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de beëindigingsvergoeding.