ECLI:NL:HR:2005:AU3175
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Geen deelnemingsvrijstelling voor vergoeding aandeelhouder bij ongelijke inbreng in joint-venture
Belanghebbende, een fiscale eenheid met dochtermaatschappij C B.V., was betrokken bij een joint-venture met D B.V. en richtte samen met D een gezamenlijke dochtermaatschappij E B.V. op. Volgens de overeenkomst moest D aan C een vergoeding betalen indien E B.V. in de eerste drie jaar een jaarwinst voor belasting onder een bepaalde drempel behaalde. In 1998 betaalde D op grond hiervan een bedrag van ƒ 66.647 aan C.
De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op aan belanghebbende, die bezwaar maakte maar geen gehoor vond bij de Inspecteur en het Hof. Het Hof oordeelde dat de vergoeding niet als voordeel uit hoofde van een deelneming kon worden aangemerkt, omdat deze voortkwam uit de marktpositie van C ten opzichte van D, en niet uit de deelneming zelf.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk was en dat het niet kon worden getoetst op juistheid in cassatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling valt.