ECLI:NL:HR:1995:AA3078
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering deelnemingsvrijstelling voor winst uit voorperiode dochtervennootschap
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had voor het jaar 1988 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen over een belastbaar bedrag van ƒ 1.125.650,--. Deze aanslag werd gehandhaafd door het Gerechtshof Amsterdam. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de winst die was behaald in de voorperiode van de dochtervennootschap A B.V., opgericht in maart 1988, onder de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 viel. Belanghebbende stelde dat zij reeds in de voorperiode economisch eigenaar was en dat de deelnemingsvrijstelling daarom van toepassing moest zijn. Het Hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat het vereiste van annaal bezit niet was vervuld.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en stelde dat de deelnemingsvrijstelling geen uitzondering kent voor deelnemingen die in de loop van het jaar zijn opgericht, ook niet indien sprake is van een voorperiode. De juridische en economische eigendom van aandelen bestond pas vanaf de oprichtingsdatum, waardoor de winst uit de voorperiode niet onder de vrijstelling viel. Het beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd.