ECLI:NL:HR:1999:AA2926
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Niet-aftrekbaarheid afkoopsom bij beëindiging optieovereenkomst aandelen
Belanghebbende, samen met een andere vennootschap aandeelhouder van een B.V., sloot een optieovereenkomst met een derde partij die het recht gaf tot koop (calloptie) en verkoop (putoptie) van een deel van de aandelen tegen een vaste prijs met een jaarlijkse vergoeding. Tijdens de optieperiode mocht de B.V. geen winst uitkeren.
In 1991 werd de optieovereenkomst beëindigd tegen betaling van een afkoopsom door belanghebbende en de andere aandeelhouder aan de derde partij. Belanghebbende bracht deze afkoopsom ten laste van haar winst over 1991. Het Hof oordeelde dat door de optieovereenkomst het overwegende economische belang in de aandelen was overgedragen aan de derde partij en dat de afkoopsom daarom niet aftrekbaar was, maar onderdeel van de kostprijs van de aandelen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat het oordeel over de feiten niet in cassatie kan worden getoetst. Er is geen sprake van verlies, omdat belanghebbende niet verarmd is door de betaling van de afkoopsom.
De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af en stelde het arrest op 13 oktober 1999 vast.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de betaalde afkoopsom niet aftrekbaar is en tot de kostprijs van de aandelen moet worden gerekend.