ECLI:NL:PHR:2013:2385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse banktegoeden en voortvarendheid inspecteur
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 en VB 1994 opgelegd vanwege rente-inkomsten en vermogen op Duitse bankrekeningen. De kern van het geschil betreft de vraag of de inspecteur de aanslagen voldoende voortvarend en op juiste wijze heeft vastgesteld en of de boete verder gematigd moet worden.
De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslagen wegens onvoldoende voortvarendheid van de inspecteur. Het hof oordeelde echter dat de inspecteur pas na ontvangst van het proces-verbaal van de FIOD-ECD over voldoende aanwijzingen beschikte en dat de navorderingsaanslagen daarna met redelijke voortvarendheid zijn opgelegd. Tevens stelde het hof dat belanghebbende gerechtigd was tot de Duitse bankrekeningen en dat de inspecteur het inkomen niet onredelijk had geschat. De boeteverhogingen hoefden niet verder te worden gematigd.
De Hoge Raad bevestigt dat onder belastingautoriteiten ook de FIOD-ECD valt, aangezien deze onderdeel is van de Belastingdienst. Het is niet te verklaren dat de duur van het onderzoek korter of langer zou mogen zijn afhankelijk van welke dienst het uitvoert. De inspecteur is niet verplicht om direct een eigen onderzoek te starten zodra hij aanwijzingen heeft, en het hof heeft de voortvarendheid van het FIOD-ECD-onderzoek getoetst en als aanvaardbaar beoordeeld.
De Hoge Raad wijst de cassatieberoepen van belanghebbende af en verklaart het beroep ongegrond. De navorderingsaanslagen zijn rechtmatig vastgesteld en de boeteverhogingen behoeven geen verdere matiging.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen blijven in stand.