Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:CA2255

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/01598
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperkte toetsing verlengde navorderingstermijn en boetetoepassing

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 1992-2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, inclusief verhogingen, kwijtscheldingen, boeten en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen en beschikkingen, waarna belanghebbende beroep instelde.

Het hof vernietigde delen van de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen wegens onvoldoende voortvarendheid bij het opleggen van de aanslagen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Tevens werden boeten verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De lange periode tussen de brief van belanghebbende in oktober 2002 en de kennisgeving van het voornemen tot oplegging in april 2003 was doorslaggevend. De omstandigheid dat er een lopende procedure was over rechtsvragen doet hieraan niet af. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.

Uitspraak

7 juni 2013
Nr. 12/01598
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02693, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1992 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1992 tot en met 1998 in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging vijftig percent kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Voorts zijn aan belanghebbende over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is verder voor het jaar 2000 een aanslag in de VB opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De aanslag, de navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraken van de Inspecteur die betrekking hebben op de verhogingen en boeten alsmede die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 tot en met 1997, de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1998 en de daarmee verband houdende beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd, die navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd, de boeten verminderd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1. Middel I keert zich tegen 's Hofs oordeel dat niet de vereiste voortvarendheid is betracht bij het voorbereiden en opleggen van de met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vastgestelde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1992 tot en met 1997 en in de vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 1998.
3.1.2. 's Hofs oordeel dienaangaande geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft daarbij met name betekenis mogen toekennen aan de lange periode tussen de brief van belanghebbende van 11 oktober 2002, waarna niets aan het opleggen van de navorderingsaanslagen op basis van de door belanghebbende voordien verstrekte gegevens in de weg stond, en de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen met boeten op 18 april 2003. De door de Inspecteur in zijn brief van 31 maart 2003 aangevoerde omstandigheid dat er nog een procedure liep over rechtsvragen die hier aan de orde zijn, doet daar niet aan af (vgl. HR 18 februari 2011, nr. 09/05204, LJN BP4779, BNB 2011/120). Middel I faalt derhalve.
3.2. Middel II kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. het heden in de zaak met nummer 12/01565 uitgesproken arrest van de Hoge Raad).
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2013.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 466.