ECLI:NL:HR:2010:BM3304
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke voortvarendheid bij navorderingsaanslagen buitenlandse tegoeden
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over navorderingsaanslagen inzake in het buitenland aangehouden spaartegoeden en inkomsten. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waarin werd bevestigd dat een langere navorderingstermijn gerechtvaardigd kan zijn voor buitenlandse tegoeden.
De Hoge Raad stelt dat na het verkrijgen van aanwijzingen over buitenlandse tegoeden het tijdsverloop voor het verkrijgen van benodigde inlichtingen en het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag moet worden geaccepteerd. Dit geldt ook indien de aanwijzingen vóór het verstrijken van de binnenlandse navorderingstermijn zijn verkregen.
In deze zaak is vastgesteld dat het strafrechtelijk onderzoek, dat op 11 april 2000 startte, op 5 februari 2002 resultaten aan de Inspecteur heeft opgeleverd. De navorderingsaanslagen zijn vervolgens op 15 mei 2002 opgelegd, wat volgens de Hoge Raad binnen redelijke termijn is. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de Inspecteur eerder aanwijzingen had of dat het onderzoek onnodig lang duurde.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard omdat de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid zijn voorbereid en vastgesteld.