Conclusie
1.Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie
2.Inleiding en kernpunten van het debat
3.Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de schadeloosstelling
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtis een onteigeningsrechtelijke klacht, te vinden in de nrs 1.1-1.3 (blz. 5 van de cassatiedagvaarding). Betoogd wordt (nr 1.3) dat het oordeel van de rechtbank in de rov. 2.12-2.18 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de rechtbank zich bij het bepalen van de schadeloosstelling enkel dan wel in hoofdzaak heeft gebaseerd op haar vaststelling dat de civiele rechter bij de afweging van belangen in het kader van een opheffingsvordering ex artikel 5:79 BW Pro tot het slotoordeel zal komen dat de interveniënten geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid en dat het ook niet aannemelijk is dat het redelijk belang voor hen nog zal terugkeren en in het verlengde daarvan de erfdienstbaarheid zal opheffen. Aldus oordelende zou de rechtbank hebben miskend dat de erfdienstbaarheid zich laat waarderen door de schatting van het verschil in de waarde van het heersende erf zonder en met de aanwezigheid van het servituut, waarbij wel rekening wordt gehouden met een verwachting omtrent de toepassing van art. 5:79, maar dit rekening houden komt, aldus de klacht, niet in de plaats van de primaire wijze van waardering.
tweede klachtvan het onderdeel is niet onteigeningsrechtelijk, maar betreft de materie van de opheffing van erfdienstbaarheden krachtens art. 5:79 BW Pro. De klacht wordt ingeleid in de nrs 1.4-1.6 en culmineert in nr. 1.7 (blz. 7 van de dagvaarding) in de rechtsklacht dat de rechtbank in de rov. 2.13-2.17 een verkeerde belangenafweging heeft toegepast, namelijk een “reguliere” in plaats van “de voorgeschreven weging ten gunste van de eigenaren van de heersende erven”.
opheffingvan de erfdienstbaarheid kan vorderen. Een actie tot
wijzigingvan de erfdienstbaarheid behoefde in deze gevallen niet geregeld te worden, omdat de eigenaar van het dienende erf deze nimmer zou instellen: de erfdienstbaarheid kan immers in beide gevallen toch niet worden uitgeoefend, in het ene geval omdat dit onmogelijk is, in het andere geval omdat uitoefening misbruik van recht zou opleveren. Het enige belang dat de eigenaar van het dienende erf bij de actie tot opheffing geregeld in artikel 8a heeft, is daarom dat de erfdienstbaarheid uit de openbare registers verdwijnt. Dit laatste brengt bovendien mee dat ook artikel 8 lid Pro 2 – het verbinden van voorwaarden aan een toewijzing van de vordering – bij de vordering van artikel 8a niet zou passen.
wijzigingvan de erfdienstbaarheid niet geregeld behoefde te worden, omdat de eigenaar van het dienende erf deze nimmer zou instellen: de erfdienstbaarheid zou immers in beide gevallen (onmogelijkheid en geen redelijk belang meer) toch niet kunnen worden uitgeoefend, in het ene geval omdat dit onmogelijk is, in het andere geval omdat uitoefening misbruik van recht zou opleveren. Het lijkt erop dat de wetgever bij de in art. 5:79 bedoelde Pro gevallen het oog had op de erfdienstbaarheid die nog slechts als een dode letter in de openbare registers spookt.
wijzigingvan een erfdienstbaarheid in de in art. 5:79 bedoelde Pro gevallen te regelen, omdat de eigenaar van het dienende erf deze nimmer zou instellen: de erfdienstbaarheid zou immers in beide gevallen (onmogelijkheid en geen redelijk belang meer) toch niet kunnen worden uitgeoefend, in het ene geval omdat dit onmogelijk is, in het andere geval omdat uitoefening misbruik van recht zou opleveren. In de casus van deze procedure zou echter een actie tot wijziging (maar dan dus op de voet van art. 5:78) geenszins ondenkbaar zijn geweest. De erfdienstbaarheid bood de interveniënten immers niet slechts (zoals de rechtbank aan het slot van rov. 2.18 overwoog) een instrument om te ageren tegen de voorgenomen ontwikkeling van het dienende erf, te weten de oprichting van de bedrijfsgebouwen waarin het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO Pro” voorziet, d.w.z. gebouwen met een maximale bebouwingshoogte van tien meter [19] , maar ook om zich tegen de bouw van nog hogere bedrijfsgebouwen te verzetten. Als de Gemeente zonder onteigening bebouwing conform het bestemmingsplan mogelijk had willen maken, had zij uiteraard zeer wel een actie kunnen instellen tot wijziging van de erfdienstbaarheid in die zin dat die zou komen te luiden dat op het dienende erf
geen gebouwen, opstallen, getimmerten en dergelijke ruimte- en beschutting gevende zaken mogen worden opgericht of gehouden, dieeen bouwhoogte hebben van meer dan tien meter. Met andere woorden: de erfdienstbaarheid van de onderhavige zaak lijkt niet te vallen onder de door de wetgever in art. 5:79 bedoelde Pro categorieën. Niet valt immers in te zien waarom de interveniënten geen redelijk belang zouden hebben gehad bij het behoud van de erfdienstbaarheid in die gewijzigde vorm.
derde klachtvan onderdeel 1, te vinden onder nr. 1.8 op blz. 7-8 van de dagvaarding. [eiser] c.s. klagen aldaar dat, voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de rechtbank het recht niet heeft miskend, zij haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van:
elkvan de genoemde omstandigheden a, b en c de rechtbank tot het oordeel had moeten brengen dat art. 5:79 niet Pro dan wel slechts onder toekenning van een schadevergoeding toepassing had kunnen vinden, deel ik niet. De constatering van de rechtbank in rov. 2.13 (omstandigheid a) dat gesteld noch gebleken is dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk was geworden, heeft geen andere strekking dan te constateren dat van het eerste in art. 5:79 bedoelde Pro geval (onmogelijkheid, waarbij de wetgever het oog heeft op fysieke en niet op juridische onmogelijkheid) geen sprake is, zodat onderzocht moet worden of zich wellicht het tweede in dat artikel bedoelde geval (geen redelijk belang meer) zich voordoet. Dat het eerste geval zich niet voordoet, brengt niet automatisch mee dat het tweede geval zich ook niet voordoet. Hetzelfde geldt m.i. voor omstandigheid b. Interveniënten hadden nog enig belang bij de uitoefening van hun recht. Die enkele omstandigheid impliceert natuurlijk niet
zonder meerdat dat belang een redelijk belang was. Ook voor de onder c vermelde omstandigheden geldt hetzelfde. Dat de rechtbank rekening hield met omstandigheden die (zoals de klacht aanvoert:) niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de interveniënten nog een redelijk belang hadden bij de uitoefening van hun recht, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat zij daarbij wel een redelijk belang hadden.
die bekend zijn met de voor de waarde van de zaak van belang zijnde eigenschappen. [21] Op die voet zal natuurlijk ook de vraag moeten worden beantwoord of de heersende percelen in waarde zijn gedaald door het wegvallen van de erfdienstbaarheid. Ook bij de beoordeling of de eigenaar van een heersend erf nog een redelijk belang heeft bij uitoefening van zijn recht, kunnen de bedoelde omstandigheden naar mijn mening geen gewicht in de schaal werpen.
vierde klachtvan het eerste onderdeel valt te lezen in nr 1.9 van het middel (blz. 8 van de dagvaarding). De klacht bevat twee subklachten.
leveringsaktende erfdienstbaarheid niet specifiek is vermeld. Het zou, als de interveniënten die stelling serieus hebben willen weerspreken, volkomen voor de hand hebben gelegen dat zij de leveringsakten van hun woningen in het geding hadden gebracht ter adstructie van hun tegenspraak. De rechtbank heeft kennelijk bedoeld te overwegen dat de interveniënten de bewuste stelling niet voldoende gemotiveerd hebben weersproken. Dat oordeel lijkt mij begrijpelijk.
vijfde klacht(nr 1.10 op blz. 8-9 van de dagvaarding) richt de schijnwerper op het oordeel van de rechtbank (rov. 2.14) dat de kennelijke bedoeling van de eigenaar van de oorspronkelijke heersende erven – het behoud van het landelijke karakter – vrijwel onmogelijk is gemaakt doordat op de heersende erven in de jaren ’60 een woonwijk is ingericht waartoe die percelen gesplitst zijn in circa 800 kleine percelen. [eiser] c.s. klagen (kort gezegd:) dat de beslissing van de rechtbank rechtens onjuist is indien de rechtbank zou hebben miskend dat de kennelijke bedoeling van de erfdienstbaarheid geen criterium is bij de toepassing van art. 79 BW Pro.
zesde klacht(nr 1.11 op blz. 9 van de dagvaarding) laakt het oordeel van de rechtbank (rov. 2.14) dat de Gemeente in de jaren ’60 bij de uitgifte van de circa 800 kleine percelen heeft nagelaten de erfdienstbaarheid door te halen. Volgens het middel is dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk voor zover de rechtbank (mede) redengevend heeft geacht dat dit doorhalen wel de bedoeling zou zijn (geweest) althans destijds rechtens mogelijk zou zijn geweest.
zevende klacht(nr 1.12 op blz. 9-10 van de dagvaarding) is gericht tegen het in rov. 2.14 neergelegde oordeel dat de interveniënten (slechts) in enige beperkte mate belang hebben bij de erfdienstbaarheid. Dit oordeel is volgens de klacht onvoldoende gemotiveerd, nu de interveniënten uitdrukkelijk naar voren hebben gebracht dat behalve zicht ook andere factoren als zoals stigmatisering van het tot bedrijfsterrein om te vormen gebied, geluid- en verkeershinder en het voordeel van een blijvend rustig gebied achter de woningen bij uitstek invulling geven aan het uitgangspunt dat niet snel sprake zal zijn van afwezigheid van een redelijk belang aan de zijde van de eigenaar van het heersende erf, en de rechtbank deze factoren bij haar beoordeling of de interveniënten nog een redelijk belang hadden bij de uitoefening van hun erfdienstbaarheid, dus kenbaar in haar oordeel had moeten meenemen. Het lijkt moeilijk te ontkennen dat een erfdienstbaarheid als hier aan de orde, met de vestiging waarvan naar het oordeel van de rechtbank het behoud van het landelijke karakter van het dienende erf is beoogd, een meeromvattend belang van de eigenaren van de heersende erven dient dan het (in de opvatting van de rechtbank) beperkte belang van tijdens de wintermaanden geen uitzicht te hebben op een bedrijventerrein met bebouwing in overeenstemming met het bestemmingsplan ter uitvoering waarvan wordt onteigend. Zie ook hetgeen ik hierboven in nr 4.13 heb opgemerkt.
achtste klacht(nr 1.13 op blz. 10 van de dagvaarding) is eveneens een motiveringsklacht tegen rov. 2.14. Als de rechtbank al niet, zoals ik bij de bespreking van de tweede klacht (hierboven nrs 4.4-4.15) heb betoogd, een (veel) te ruime opvatting heeft gehuldigd van het in art. 5:79 bedoelde Pro geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening, acht ik met [eiser] c.s. onbegrijpelijk waarom het door de rechtbank in rov. 2.14 wel degelijk aangenomen belang, zeker in het licht van de vaststelling van de rechtbank (in rov. 2.18) dat de erfdienstbaarheid een instrument bood “om privaatrechtelijk te ageren tegen voorgenomen ontwikkelingen op het dienend erf”, geen redelijk belang vormde als in art. 5:79 bedoeld Pro. Zoals ik hierboven in 4.7 en 4.10 heb vermeld, dacht de wetgever bij een eigenaar van een heersend erf die geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid aan situaties waarin die eigenaar misbruik van recht zou maken door zich op de erfdienstbaarheid te beroepen en waarin wijziging van de erfdienstbaarheid geen optie zou kunnen zijn. De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden duiden naar mijn mening geenszins op zo’n situatie. De uitoefening van een erfdienstbaarheid wordt naar mijn mening bepaald niet zonder meer onredelijk (in de zin van art. 5:79) indien het dienende erf verworven is door een eigenaar die daarop activiteiten wil verrichten die in strijd zijn met de erfdienstbaarheid. Wie (zoals de Gemeente) grond koopt waarop een erfdienstbaarheid rust die aan ontwikkeling van die grond in de weg staat, weet waaraan hij begint en betaalt een navenante koopprijs.
negende klacht(nr 1.14 op blz. 10-11 van de dagvaarding) brengt rechts- en motiveringsklachten in stelling tegen het in rov. 2.17 neergelegde oordeel dat onjuist is het uitgangspunt van de deskundigen dat de eigenaren van de heersende erven voorafgaand aan de onteigening alle ontwikkelingen op het onteigende konden verhinderen, behoudens het oprichten van magazijnen voor militaire doeleinden en van opstallen tot huisvesting van toezichthoudend personeel. De rechtbank baseerde dat oordeel op de afweging van de belangen van de interveniënten enerzijds en de Gemeente anderzijds, waaruit zou volgen dat de interveniënten geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid zodat die erfdienstbaarheid niet bestand was tegen een actie ex art. 5:79 BW Pro.
tiende klachtvan onderdeel 1 (nr 1.15 op blz. 11-12 van de cassatiedagvaarding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 2.18) dat niet in de rede ligt dat de “civiele rechter” aan opheffing van de erfdienstbaarheid op de voet van art. 5:79 een Pro schadevergoeding zou koppelen. De klacht valt uiteen in drie subklachten.
elfde en laatste klachtvan onderdeel 1 (te vinden bij nr 1.16 op blz. 12 van de dagvaarding) komt neer op een herhaling op van de derde subklacht van de tiende klacht en behoort naar mijn mening het lot daarvan te delen.
bestuursrechterte veel tijd in beslag neemt. [30] Het persbericht sluit af met de mededeling: “Een wetsvoorstel dat ook voor het burgerlijk recht mogelijk maakt om schadevergoeding te vorderen als een rechterlijke beslissing te lang op zich laat wachten, is in voorbereiding.” Uit door mij telefonisch bij de Directie Wetgeving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ingewonnen informatie maak ik op dat dit aan het slot van het persbericht bedoelde wetsvoorstel nog steeds in voorbereiding is en dat niet kan worden verwacht dat die voorbereiding spoedig zal zijn voltooid.
systeemvan de Onteigeningswet:
de factoeen veroordeling van de Staat zou zijn “aangezien de Staat op basis van een overeenkomst met de Gemeente de kosten van deze procedure vergoedt”. [38] De Gemeente heeft aangevoerd dat zij voor overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden aangesproken en dat de interveniënten zich daarvoor tot de Staat moeten wenden. [39]