Uitspraak
200502220/1en 12 september 2007 in zaak nr.
200700810/1heeft de Afdeling de besluiten van respectievelijk 20 januari 2005 en 8 december 2006 vernietigd.
200906777/1/H2vereisen zowel artikel 6 van Pro het EVRM als het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel definitieve beslechting van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter. Wat betreft de toepassing van dit beginsel kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het Hof over de uitleg van deze verdragsbepaling.
200904891/1/H2.
200904891/1/H2, dat een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb en waarin niet is geprocedeerd in hoger beroep.
200904891/1/H2dat in een geval als dit, waarin de vernietigingen van de besluiten van 20 januari 2005 en 8 december 2006 hebben geleid tot herhaalde besluitvorming op de oorspronkelijke vergunningaanvraag, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Dat zou voor dit geval slechts anders zijn wanneer de Afdeling de redelijke behandelingsduur van twee jaar voor een beroep heeft overschreden. Die behandelingsduur is echter niet overschreden in de beroepen die hebben geleid tot voormelde uitspraken van de Afdeling van 7 september 2005 en 12 september 2007 en evenmin in onderhavige beroepsprocedure.
200608140/1), volgt uit de jurisprudentie van het Hof, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, (nr. 62361/00, JB 2006, 134), dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. [appellanten] hebben gesteld dat zij door de onzekerheid als gevolg van de lange duur van de procedure spanning en frustratie hebben ervaren. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat, voor zover hier van belang, [10 appellanten] geen spanning en frustratie hebben ondervonden die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.