Belanghebbende heeft bpm betaald over een gebruikte auto en bezwaar gemaakt tegen het bedrag. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding en vergoedde griffierecht. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Hof.
Het Hof oordeelt dat de Rechtbank en het Hof bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen zonder verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. De klacht over het griffierecht wordt verworpen omdat geen belemmering is aangetoond. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op €19.088 en de extra leeftijdskorting van €27 toegepast, wat leidt tot een terugbetaling van €101 aan bpm.
De proceskostenvergoeding wordt verhoogd tot €3.561,50 en het betaalde griffierecht van €559 wordt vergoed. Een rentevergoeding over teruggaaf of griffierecht wordt niet toegekend. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens enkele onderdelen.