Belanghebbende, een rechtspersoon, kreeg een naheffingsaanslag voor belasting personenauto’s en motorrijwielen opgelegd en stelde bezwaar en beroep in. De Rechtbank kende een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Het Hof stelde vast dat de termijnoverschrijding acht maanden bedroeg, maar handhaafde het lagere bedrag omdat belanghebbende en diens gemachtigde vooraf een verrekeningsovereenkomst sloten waarbij vergoeding immateriële schade werd verrekend met de kosten van rechtsbijstand.
De Hoge Raad oordeelt dat deze verrekeningsovereenkomst niet betekent dat belanghebbende afstand heeft gedaan van het recht op vergoeding van immateriële schade. De veronderstelling van spanning en frustratie bij overschrijding van de redelijke termijn geldt ook voor rechtspersonen en kan niet worden uitgesloten door een interne verrekening tussen belanghebbende en gemachtigde.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het oordeel van het Hof en Rechtbank voor zover het de vergoeding immateriële schade betreft, en veroordeelt de Staat tot een vergoeding van €1.000. Tevens worden griffierecht en proceskosten in cassatie aan belanghebbende toegekend.