ECLI:NL:GHARL:2025:7364

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
23/1417
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en proceskostenvergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, die op 6 april 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) had verminderd. De rechtbank had de naheffingsaanslag verlaagd van € 2.100 naar € 1.624 en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld, waarbij hij betoogt dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden verminderd vanwege schade en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 18 november 2025 uitspraak gedaan. Het Hof oordeelt dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld en dat de rechtbank de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte heeft geweigerd. Het Hof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de bezwaarkostenvergoeding en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van deze kosten. Daarnaast is de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het Hof heeft de kosten van rechtsbijstand vastgesteld en het griffierecht vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1417
uitspraakdatum: 18 november 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] h.o.d.n. [naam1]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 6 april 2023, nummer AWB 21/766, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.100. Daarbij is € 14 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 1.624, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.000, € 1.674 en € 181.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Namens belanghebbende is [naam2] verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam3] en [naam4] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een Volvo Sedan S80 3.2 met een CO2-uitstoot van 249 gr/km (hierna: de auto) gekocht voor € 8.250 (excl. btw).
2.2.
Belanghebbende heeft voor de auto op aangifte een bedrag van € 184 aan BPM voldaan. Bij de aangifte van 30 november 2019 is een taxatierapport met dagtekening 28 november 2019 gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 4.921. Deze schade is voor 72% in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde. Verder is vanwege het schadeverleden van de auto een bedrag van € 2.500 in mindering gebracht.
2.3.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport met dagtekening 13 december 2019 opgemaakt. Blijkens dit rapport zijn alle opgegeven schadeposities niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade worden aangemerkt waarvoor geen waardevermindering wordt toegekend. Alleen voor de kosten ter zake van het programmeren van Nederlandse software is een waardevermindering van € 139 toegekend. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 2.100.
2.4.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 4 februari 2020 plaatsgevonden.
2.5.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.624. De Rechtbank heeft onder meer overwogen dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de consumentenprijs (= historische nieuwprijs) kan worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 208 gr/km) is verschuldigd. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van waardevermindering wegens schade, aldus de Rechtbank. De Rechtbank is uitgegaan van een afschrijving op basis van de forfaitaire tabel van 90,5%.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i. i) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 3.543 (72% van € 4.921) wegens meer dan normale gebruiksschade;
ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 2.500 moet worden verminderd wegens het schadeverleden van de auto;
iii) dat bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de koerslijst van Eurotax minus 15% minus bijstelling markt- en dealersituatie;
iv) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 249 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 208 gr/km) is verschuldigd;
v) dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend; en
vi) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende heeft bij het op aangifte voldoen van de BPM voor de auto, gekozen voor de taxatiemethode, waarbij gebruik is gemaakt van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een koerslijst voor een referentievoertuig.
4.2.
Toepassing van de taxatiemethode kan alleen aan de orde zijn wanneer de belastingplichtige al bij het doen van de aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8 lid 4 Uitvoeringsregeling BPM en bijlage I bij deze uitvoeringsregeling. [1] Ingevolge artikel 8 lid 4 letter b Uitvoeringsregeling BPM (tekst tot 2022) dient het bij de aangifte gebruikte taxatierapport te zijn opgemaakt uiterlijk één maand vóór het tijdstip dat de belasting is verschuldigd, dat wil zeggen het tijdstip van afronding van de registratie (de tenaamstelling in het kentekenregister).
4.3.
In het onderhavige geval is niet aan voornoemde eis voldaan, aangezien het bij de aangifte gebruikte rapport is opgemaakt op 28 november 2019 en de tenaamstelling van de auto op 4 februari 2020 heeft plaatsgevonden.
4.4.
Belanghebbende beroept zich evenwel op het goedkeurende beleid zoals neergelegd in het Besluit van 27 september 2021, Stcrt. 2021, 43482. Daarin heeft de staatssecretaris in onderdeel 6.6 goedgekeurd dat de belastingplichtige de verschuldigde BPM mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. Blijkens artikel II van dit Besluit werkt de goedkeuring slechts terug tot en met 26 maart 2021, maar beide partijen zijn eensluidend van mening dat op basis van later beleid deze goedkeuring ook betrekking heeft op aangiften die zijn ingediend voor 26 maart 2021, [2] zodat het Hof daarvan uitgaat.
4.5.
Voornoemde goedkeuring brengt volgens partijen mee dat de in artikel 8 lid 4 letter b Uitvoeringsregeling BPM neergelegde eis zodanig moet worden uitgelegd dat het bij de aangifte gebruikte taxatierapport uiterlijk één maand voor de aangifte moet zijn opgemaakt. In het onderhavige geval is de aangifte op 30 november 2019 gedaan en is het taxatierapport op 28 november 2019 opgemaakt, zodat is voldaan aan voornoemd vereiste.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.6.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering wegens schadeverleden
4.7.
Belanghebbende betoogt dat de handelsinkoopwaarde, overeenkomstig zijn aangifte, met € 2.500 moet worden verminderd wegens het schadeverleden van de auto.
4.8.
Het enkele gegeven dat een auto een schadeverleden heeft, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat sprake is van een waardedrukkend effect. [3] Op de belanghebbende rust daarom de bewijslast om feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat het schadeverleden van de auto zodanig is dat dit een omstandigheid is waarmee een potentiële koper rekening zal houden bij de inkoop van de auto. [4]
4.9.
Belanghebbende is daarin naar het oordeel van het Hof niet geslaagd met de verwijzing naar de gegevens op de veilingsite waar de auto destijds te koop is aangeboden. Die gegevens zijn te weinig specifiek om aard en omvang van de schade te kunnen vaststellen. De vermelding dat de auto een ‘salvage title’ had, acht het Hof hiervoor onvoldoende aangezien dit niet is onderbouwd. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toepassen van een waardecorrectie wegens schadeverleden.
4.10.
Ook de overgelegde TMV-lijst – volgens welke een waardevermindering van € 2.500 van de consumentenprijs wordt toegepast – brengt het Hof niet tot een ander oordeel, nu deze lijst te algemeen is en onduidelijk is op welke onderliggende gegevens de zeer ruwe forfaits zijn gebaseerd. [5] Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor het toepassen van een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schadeverleden.
Koerslijstmethode; Bijstelling markt- en dealersituatie
4.11.
Gedurende een gerechtelijke procedure kan worden gekozen voor een andere methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan. [6]
4.12.
De mogelijkheid om de afschrijving te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst, is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. [7]
4.13.
In de onderhavige procedure staat vast dat er voor de auto – afkomstig uit de Verenigde Staten met een CO2-uitstoot van 249 gr/km – geen koerslijst is en dat is aangesloten bij de koerslijst van Eurotaxglass’s van een referentieauto met een CO2-uitstoot van 208 gr/km. De in deze koerslijst opgenomen waarde is reeds daarom geen representatieve benadering van de werkelijke waarde van de auto. Ook toepassing van de koerslijstmethode kan daarom niet aan de orde zijn. Dit brengt mee dat de afschrijving wordt bepaald aan de hand van de in artikel 8 lid 5 Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Nu de Rechtbank ter bepaling van de afschrijving is uitgegaan van deze afschrijvingstabel, is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.14.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [8] Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot
4.15.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 208 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 249 gr/km heeft.
4.16.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [9] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. [10]
4.17.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [11] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [12] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.18.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hogere CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, heeft belanghebbende erop gewezen – hetgeen door de Inspecteur niet is betwist – dat de gebruikte koerslijst geen voorzieningen heeft ingebouwd die een koppeling maken tussen opties en de bijbehorende CO2-uitstoot. Dit brengt mee dat in deze koerslijst de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde wel stijgen door het opvoeren van opties, maar dat de CO2-uitstoot daardoor niet meebeweegt. Ook andersom zal een handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot op zichzelf geen gevolgen hebben voor de handelsinkoopwaarde, deze blijft namelijk gebaseerd op de ‘norm-uitstoot’ die standaard in het systeem staat, in plaats van de daadwerkelijke uitstoot van de auto, aldus belanghebbende
.Dit betekent volgens belanghebbende echter niet, dat de getoonde handelsinkoopwaarde niet is gekoppeld aan de getoonde referentieauto inclusief de waarde van de toegevoegde opties. Dit impliceert dat de handelsinkoopwaarde dus in werkelijkheid ook is gekoppeld aan de hogere CO2-uitstoot, alleen is dit niet zichtbaar in de koerslijst, aldus belanghebbende.
4.19.
Uit deze toelichting van belanghebbende zou kunnen worden afgeleid dat de getoonde handelsinkoopwaarde ook behoort bij een CO2-uitstoot die overeenstemt met de extra opties of andere uitvoering, waardoor de in de koeslijst getoonde referentieauto in werkelijkheid dezelfde CO2-uitstoot heeft als de te registreren auto, hoewel een lagere CO2-uitstoot is weergegeven. [13] Bij een dergelijke gevolgtrekking zou belanghebbende kunnen worden gevolgd in zijn standpunt.
4.20.
Anderzijds zou uit deze toelichting ook kunnen worden afgeleid dat als de handelsinkoopwaarde in de koerslijst is gebaseerd op een zogenoemde ‘norm-uitstoot’, en deze waarde niet meebeweegt als handmatig een hogere CO2-uitstoot wordt ingevoerd, de koerslijst niet de auto met een hogere CO2-uitstoot waardeert. Dit zou kunnen meebrengen dat het eveneens in de koerslijst weergegeven bedrag aan rest-BPM te laag is, als deze rest-BPM niet is afgeleid van het (hogere) bedrag aan historische BPM dat voor de auto met een hogere CO2-uitstoot verschuldigd zou zijn geweest. Als in de koerslijst de hoogte van de handelsinkoopwaarde mede is gebaseerd op de berekende rest-BPM, dan kan belanghebbende niet in zijn standpunt worden gevolgd. Belanghebbende heeft de werking van de koerslijst op dit punt evenwel niet nader toegelicht.
4.21.
Gelet op de uiteenlopende gevolgtrekkingen die kunnen worden verbonden aan belanghebbendes toelichting, bestaat er bij het Hof een zodanige twijfel over het door belanghebbende gestelde, dat dit gelet op de toegepaste bewijslastverdeling, ten nadele werkt van belanghebbende. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. [14]
Belastingrente
4.22.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft daartegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag niet verder wordt verminderd, bestaat geen aanleiding de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen.
Proceskosten vergoeding bezwaarfase
4.23.
De Rechtbank heeft geen bezwaarkostenvergoeding toegekend. Redengevend daarvoor is dat de vermindering van de naheffingsaanslag door de Rechtbank, niet het gevolg is van hetgeen belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd.
4.24.
Wat betreft de kosten van bezwaar is in artikel 7:15 lid 2 Awb voorgeschreven dat deze door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Als een belastingaanslag, zoals in dit geval de naheffingsaanslag, wordt verminderd of vernietigd, is de onrechtmatigheid daarvan in beginsel gegeven. Dit onrechtmatig handelen wordt aan het betrokken bestuursorgaan toegerekend. [15]
4.25.
Dit laatste geldt temeer nu de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM is gehouden te blijven binnen de grenzen van artikel 110 VWEU. Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstaf te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden – zoals in dit geval toepassing van het (doorgaans gunstigere) oude tarief op grond van artikel 16a Wet BPM – moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. [16] Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de BPM blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU. [17] Indien de inspecteur dit nalaat en de naheffingsaanslag op grond van een daartegen ingesteld beroep of hoger beroep wordt verminderd of vernietigd, heeft deze naheffingsaanslag berust op een onjuiste uitleg van de van toepassing zijnde regeling en is deze naheffingsaanslag derhalve onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen wordt aan de inspecteur toegerekend.
4.26.
Het vorenstaande brengt mee dat de kosten van rechtsbijstand in dit geval voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, bestaat er geen grond om voor de toewijsbaarheid van een verzoek tot vergoeding van de in de bewaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand, de aanvullende eis te stellen dat de vermindering van de belastingaanslag het gevolg moet zijn van hetgeen de belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd. De Rechtbank had daarom een bezwaarkostenvergoeding moeten toekennen. Nu het Hof zelf deze kostenvergoeding vaststelt, moet de puntwaarde worden gehanteerd zoals die geldt ten tijde van deze uitspraak (€ 647), waardoor deze € 647 bedraagt (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 0,5 [18] ).
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
4.27.
De procedure in hoger beroep is op 4 mei 2023 aangevangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak van 18 november 2025. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal iets meer dan 2,5 jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met meer dan een half jaar overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op twee maal € 500, ofwel € 1.000. De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
4.28.
Gelet op het overwogene in 4.26 is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 454 (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank enkel is vernietigd wegens het niet toekennen van een bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen.
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2 lid 3 Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. Het Hof zal daaraan in de onderhavige zaak geen vergoeding toekennen, omdat de naheffingsaanslag in deze procedure niet wordt verminderd.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft het ontbreken van een beslissing over de bezwaarkostenvergoeding;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 647;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 454;
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden; en
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.
2.Vgl. KG:013:2022:5.
3.Vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4.
4.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7912, r.o. 4.7.
5.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9794, r.o. 4.12; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4046, r.o. 4.18.
6.HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.3.
7.HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.4.
8.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
9.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
10.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
11.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
13.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3011, r.o. 4.11.
14.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6014, r.o. 4.1 t/m 4.8.
15.Vgl. HR (civiel) 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588.
16.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8231, r.o. 4.7; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 4.2.3.
17.Vgl. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2.
18.Zie HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2.