Uitspraak
19.3764 PW
SAMENVATTING
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en had gedurende de periode van 3 juli 2017 tot en met 31 mei 2018 bedragen van online gokbedrijven ontvangen die niet waren gemeld aan het college. Het college herzag de bijstand en vorderde te veel betaalde bijstand terug, waarbij de gokbedragen als inkomen werden aangemerkt. Appellant stelde dat deze bedragen als vermogen moesten worden gezien en dat de inlegkosten in mindering moesten worden gebracht, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat de bedragen van online gokbedrijven naar hun aard inkomen zijn zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet, omdat zij periodiek werden ontvangen en vrij besteed konden worden. Het college heeft geen beleidsruimte om het begrip inkomen anders uit te leggen en het evenredigheidsbeginsel is niet van toepassing op de uitleg van dit wettelijke begrip. Verrekening van inlegkosten is niet toegestaan omdat deze worden beschouwd als verwervingskosten die uit het inkomen moeten worden voldaan.
Verder concludeerde de Raad dat er geen bijzondere, door de wetgever niet voorziene omstandigheden zijn die toepassing van de herziening en terugvordering wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel zouden uitsluiten. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden, waardoor appellant een schadevergoeding van € 1.500,- wordt toegekend. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde gokinkomsten zonder verrekening van inlegkosten en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.