Uitspraak
16.3158 PW
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een eigen woning met een MeerWaardehypotheek en ontvangt maandelijkse betalingen uit beleggingen en huurinkomsten. Het college van burgemeester en wethouders wees haar aanvraag voor bijstand af omdat haar inkomen hoger was dan de bijstandsnorm, waarbij ook de huurinkomsten en maandelijkse betalingen werden betrokken. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd.
Appellante verzocht later om herziening van het besluit op grond van een fiscale aanslag die volgens haar nieuw inzicht gaf in haar inkomen. Het college wees dit verzoek af omdat de aanslag geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat de fiscale aanslag wel degelijk een nieuw feit was en dat de maandelijkse betalingen niet in het fiscale inkomen waren opgenomen, wat volgens haar tot herziening moest leiden. De Raad oordeelde dat voor de WWB het inkomensbegrip anders is dan in de fiscale wetgeving en dat de aanslag in dit geval geen relevant nieuw feit is. Ook werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden.
De Raad concludeerde dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen en bevestigde de eerdere uitspraak. Een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het afwijzende bijstandsbesluit is terecht afgewezen en het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.