Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1990 een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en mocht met behoud van uitkering bescheiden werkzaamheden verrichten. Na onderzoek naar zijn inkomsten over 1995 en 1996 vorderde de gemeente Huizen bijstand terug wegens niet volledig verrekende inkomsten in 1996.
Appellant voerde aan dat bepaalde vertaalopdrachten buiten de bijstandperiode vielen en dat kosten zoals computerkosten en aanschaf van woordenboeken in mindering moesten worden gebracht. De Raad stelde vast dat het primaire terugvorderingsbesluit onjuiste wettelijke grondslag had omdat het uitsluitend op de Algemene bijstandswet (Abw) was gebaseerd terwijl ook de Rijksgroepsregeling en eerdere bepalingen van toepassing waren.
Desondanks oordeelde de Raad dat de vastgestelde inkomsten niet te hoog waren en dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij te veel bijstand had ontvangen, zodat terugvordering gerechtvaardigd was. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde hij de gemeente Huizen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de gemeente wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.