ECLI:NL:CRVB:2004:AR6892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit verkoop schilderijen
Gedaagde ontving tussen 16 juli 1997 en 22 juni 1999 een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), gevolgd door een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Appellant stelde vast dat gedaagde in 1997 en 1998 inkomsten had uit de verkoop van schilderijen, welke niet waren gemeld, wat leidde tot herziening van de uitkering en terugvordering.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van appellant, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad bevestigt dat gedaagde niet als zelfstandige in de zin van artikel 5 Abw Pro werd aangemerkt, waardoor de regels voor zelfstandigen niet van toepassing zijn. De Raad oordeelt dat gedaagde de inlichtingenplicht schond door haar inkomsten niet te melden, waardoor een te hoge bijstand werd verstrekt.
Het geschil betrof de vraag of appellant bij de herziening de algemene beroepskosten (verwervingskosten) in mindering mocht brengen op de inkomsten. De Raad stelt dat het beleid van appellant, waarbij alleen directe kosten worden afgetrokken en niet de algemene beroepskosten, niet in strijd is met de Abw. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak en de wettelijke geschiedenis die bevestigen dat verwervingskosten niet op het inkomen in mindering worden gebracht, maar via bijzondere bijstand kunnen worden gecompenseerd.
De Raad concludeert dat appellant terecht tot herziening en terugvordering is overgegaan en verklaart het beroep van gedaagde ongegrond. Tevens ziet de Raad geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.