ECLI:NL:RVS:2026:4434
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding bij schending van het vertrouwensbeginsel in bestuursrechtelijke parkeerkwestie
Deze conclusie van staatsraad advocaat-generaal G. Snijders betreft een bestuursrechtelijke zaak tussen Keizerrijk Investments B.V. en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over het gebruik van een perceel als parkeerterrein en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding bij schending van het vertrouwensbeginsel.
Keizerrijk had een omgevingsvergunning aangevraagd voor woningen aan de Marcelisstraat 73, waarbij zij een parkeeroplossing op het perceel Vijzelstraat 75 voorstelde. Hoewel het college aanvankelijk de vergunning weigerde, werd deze later verleend met instemming over de parkeeroplossing, ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan. Later legde het college een last onder dwangsom op wegens het niet naleven van het bestemmingsplan, wat leidde tot bezwaar en beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college gerechtvaardigd vertrouwen bij Keizerrijk had gewekt, maar dat het college niet voldoende had gemotiveerd waarom het vertrouwen niet werd gehonoreerd en welke belangen zwaarder wogen. De conclusie bespreekt uitgebreid de juridische grondslagen voor schadevergoeding, waarbij het vertrouwensbeginsel als enige geschikte grondslag wordt aangewezen. De conclusie behandelt ook de omvang en aard van de vergoedbare schade (uitsluitend dispositieschade) en de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging door het college.
Ten slotte wordt geconcludeerd dat de vaststelling van de schade nog niet mogelijk is vanwege onvoldoende onderzoek door het college en ontbrekende stukken, en dat verdere behandeling buiten het verzoek valt.
Uitkomst: De Afdeling oordeelt dat het college gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vertrouwen niet wordt gehonoreerd en welke belangen zwaarder wegen; de schadevergoeding betreft uitsluitend dispositieschade die nog nader moet worden vastgesteld.