Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/762 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIAArt. 56 Wet WIAArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WIA-uitkering wegens gerechtvaardigde verwachting

Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker en later operator, meldde zich ziek met klachten aan de rechtervoet en vroeg om een WIA-uitkering per 24 oktober 2019. Het UWV weigerde deze uitkering toe te kennen omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 10 mei 2016. De medische onderzoeken, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, concludeerden dat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV.

Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er wel degelijk sprake was van toegenomen beperkingen. Tevens voerde hij aan dat het UWV had gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat een gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat hij recht had op een WIA-uitkering per 24 oktober 2019. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen toename van beperkingen was. Echter, de Raad stelde vast dat het UWV met het voornemen van 24 april 2024 een toezegging had gedaan die een gerechtvaardigde verwachting bij appellant had gewekt.

De Raad voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van appellant bij nakoming van de toezegging zwaarder woog dan het belang van het UWV om een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel te voorkomen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd vanwege het vertrouwensbeginsel, met opdracht tot nieuwe beslissing.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/762 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 maart 2025, 24/3340 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellant met ingang van 24 oktober 2019 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 10 mei 2016 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen door zijn rechtervoetklachten dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per 24 oktober 2019 en (dus) terecht op die grond geen WIA-uitkering heeft toegekend. Appellant wordt wel gevolgd in zijn stelling dat hij de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het Uwv per 24 oktober 2019 een vervolguitkering op grond van de Wet WIA zou toekennen. Het belang van appellant bij nakoming van de toezegging weegt in dit geval zwaarder dan het belang van het Uwv.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Yilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, gereageerd op een vraagstelling van de Raad en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yilmaz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker. Op 29 oktober 2007 heeft hij zich ziekgemeld met nek- en linkerschouderklachten. Het Uwv heeft geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd in oktober 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 35%.
1.2.
Appellant heeft vervolgens vanaf 15 juli 2013 gewerkt als productiemedewerker voor gemiddeld 29,38 uur per week. Op 25 september 2013 heeft hij zich ziekgemeld met linkerschouderklachten en lage rugklachten. Later was ook sprake van rechterenkelklachten. Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft het Uwv appellant, omdat sprake was van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en volledige arbeidsongeschiktheid, per 25 september 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij (uiteindelijk de) beslissing op bezwaar van 23 maart 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 11 mei 2016 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft daar geen rechtsmiddel tegen aangewend.
1.3.
Appellant heeft vervolgens vanaf 1 april 2019 gewerkt als operator voor gemiddeld 37,39 uur per week. Appellant heeft zich op 24 oktober 2019 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten van de rechtervoet. Het Uwv heeft appellant per 1 november 2019, na het einde van zijn dienstverband, een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Nadat appellant een aanvraag om een WIA-uitkering had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft in een rapport van 16 september 2021 vastgesteld dat er per 24 oktober 2019 geen sprake is van een toename van beperkingen, en heeft de op dat moment geldende beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 september 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 27 september 2021 geweigerd appellant na de voorgeschreven wachttijd per 21 oktober 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 augustus 2022 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 september 2023 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2022 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 november 2024 [1] heeft deze Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.4.
Bij besluit van 13 oktober 2023 heeft het Uwv, op basis van het in 1.3 genoemde rapport van 16 september 2021 van de primaire arts van het Uwv, geweigerd appellant per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIAuitkering per 10 mei 2016. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.5.
In een rapport van 3 april 2024 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het standpunt van de primaire arts dat er per 24 oktober 2019 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML uit 2015 geactualiseerd naar de datum in geding en in het kader van de planning in het bezwaartraject vermeld dat onderzoek moet plaatsvinden door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 oktober 2019 vastgesteld op 42,22%.
1.6.
Bij brief van 19 april 2024 heeft het Uwv appellant (onder meer) bericht voornemens te zijn per 24 oktober 2019 alsnog een WIA-uitkering toe te kennen, en dat nog gewacht wordt op de gegevens omtrent de hoogte en de duur van de uitkering. Bij brief van 24 april 2024, met als onderwerp ‘Voornemen wijziging beslissing’, heeft het Uwv appellant medegedeeld van plan te zijn de WIA-uitkering per 24 oktober 2019 te laten herleven. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat appellant vanaf die datum recht heeft op een vervolguitkering op grond van de Wet WIA, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,22%. Het Uwv heeft tevens opgemerkt dat deze WIA-uitkering vanaf 24 oktober 2019 niet tot uitbetaling komt vanwege inkomsten uit arbeid van de voormalig werkgever. Appellant heeft op 28 mei 2024 gereageerd op dit voornemen, en heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen en dat hij de voor hem geselecteerde functies niet kan verrichten.
Bij besluit van 9 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van 3 april 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het tegen het besluit van 13 oktober 2023 gemaakte bezwaar (toch) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat per 24 oktober 2019 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, zodat per die datum geen recht bestaat op een WIA-uitkering. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat, omdat per abuis een arbeidskundig onderzoek is verricht, het rapport van 17 april 2024 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de voorgenomen beslissing van 24 april 2024 worden ingetrokken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft zich op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de onderzoeken die zijn verricht door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) en de over appellant ingewonnen informatie bij de orthopedisch chirurg en de revalidatiearts en wat overigens over de medische situatie van appellant is vastgesteld, er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de heroverweging in bezwaar van de medische grondslag door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat de conclusies van het Uwv kunnen worden onderschreven. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat er geen medische feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat sprake is van een toename van de beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
2.2.
De rechtbank heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van deze Raad, overwogen dat als sprake is van ongewijzigde beperkingen, zoals in het geval van appellant, het niet nodig is om een arbeidskundig onderzoek te verrichten. Volgens de rechtbank mocht het Uwv de weigering om een WIA-uitkering toe te kennen in dit geval dus baseren op een uitsluitend medische grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank kan appellant geen rechten ontlenen aan het voornemen van het Uwv om een WIA-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft aanleiding gezien van dit voornemen terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv daartoe besluiten, omdat sprake is van ongewijzigde beperkingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
3.1.
Appellant heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 23 juni 2021, [2] aangevoerd dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase onzorgvuldig is geweest, omdat het onderzoek in de primaire fase niet heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts (maar door een basisarts) en de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet heeft gezien op een spreekuur en de beoordeling op basis van de stukken heeft gedaan. Appellant heeft verder, onder verwijzing naar zijn reactie van 28 mei 2024 op de voorgenomen beslissing van 24 april 2024, betoogd dat per 24 oktober 2019 wel degelijk sprake is van toegenomen beperkingen. Hij was volledig arbeidsongeschikt dan wel hadden een urenbeperking en aanvullende beperkingen in verband met de klachten aan zijn voet (lopen (tijdens het werk), knielen of hurken) aangenomen moeten worden. Appellant heeft om benoeming van een onafhankelijk deskundige verzocht. Verder blijkt volgens appellant uit de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk dat sprake is van toegenomen klachten en beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Er is in de bezwaarfase dus terecht arbeidskundig onderzoek verricht.
3.2.
Appellant heeft verder betoogd dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Naar aanleiding van de voorgenomen beslissing van 24 april 2024 is bij appellant het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij per 24 oktober 2019 recht heeft op een WIA-uitkering. In dat kader heeft appellant gesteld dat het Uwv niet heeft gemotiveerd welk zwaarwegend belang zich tegen toekenning van de WIA-uitkering per 24 oktober 2019 verzet.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in dat kader mede verwezen naar een rapport van 14 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv heeft verder ter zitting van de Raad te kennen gegeven het (gewijzigde) standpunt in te nemen dat met het voornemen van 24 april 2024 sprake is van een aan het Uwv toe te rekenen toezegging dat per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering zou worden toegekend. Het Uwv heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat bij de vervolgens uit te voeren belangenafweging het belang van het Uwv zwaarder dient te wegen dan dat van appellant. Het Uwv heeft er in dat kader op gewezen dat in deze situatie sprake zou zijn van toekenning van een WIA-uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel voor een langere duur.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
5.2.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant op 24 oktober 2019 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 10 juli 2015 (per 10 juli 2015), en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 24 oktober 2019. [3]
Toegenomen beperkingen per 24 oktober 2019?
5.3.
Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat het onderzoek in de primaire fase niet heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet heeft gezien op een spreekuur en de beoordeling op basis van de stukken heeft gedaan. Deze grond slaagt niet. In het rapport van 14 januari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat appellant in het kader van zijn bezwaar tegen de weigering van de WIA-uitkering per 21 oktober 2021 is gezien en onderzocht door een (andere) verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat, omdat het rapport van 3 april 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onderhavige procedure uitsluitend gericht was op één aspect van de beoordeling (de toenameclaim), een beoordeling op basis van de reeds aanwezige gegevens uitstekend mogelijk was. Daarmee is toereikend gemotiveerd dat sprake was van een zorgvuldig medisch onderzoek.
5.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat per 24 oktober 2019 in verband met de klachten aan zijn rechtervoet- en enkel sprake is van toegenomen beperkingen. Uit het rapport van 16 september 2021 blijkt dat de primaire arts zelf onderzoek heeft verricht, informatie heeft ingewonnen bij de huisarts over (het beloop van) de klachten van de rechterenkel en gemotiveerd heeft geconcludeerd dat er per datum ziekmelding van 24 oktober 2019 niet meer beperkingen gelden dan ten tijde van de beëindiging van de WIA-uitkering per 10 mei 2016. In het rapport van 3 april 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede op basis van overgelegde informatie van 4 april 2022 van een orthopedisch chirurg en van 11 juli 2022 van een revalidatiearts, het standpunt van de primaire arts, dat sinds 10 mei 2016 sprake is van een ongewijzigde belastbaarheid, gemotiveerd onderschreven. In het rapport van 14 januari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat er geen discussie bestaat over het feit dat de rechterenkel van appellant beperkt belastbaar is. Door in het (laatst verrichte) werk vrijwel volledig te staan en te lopen heeft appellant deze belastbaarheid overschreden, wat heeft geleid tot een dikke enkel. Meer rust zoals minder langdurig staan en lopen is over het algemeen voldoende om te komen tot afname van klachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bieden de eerder aangegeven beperkingen (lopen ongeveer 30 minuten, lopen tijdens het werk twee tot drie uur, staan ongeveer 30 minuten, staan tijdens het werk twee tot drie uur) hiervoor voldoende ruimte. Hoewel er dus sprake was van overbelasting van de enkel, was er naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om (per 24 oktober 2019) meer dan de reeds geldende beperkingen te stellen. Geoordeeld wordt dat het Uwv met deze rapporten inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling per 10 mei 2016 de beperkingen van de rechtervoet van appellant niet zijn toegenomen. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
5.5.
Gelet op de conclusie dat geen sprake is van toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling, is het Uwv in het bestreden besluit terecht niet toegekomen aan beoordeling van de arbeidskundige aspecten.
Te honoreren gerechtvaardigde verwachting?
5.6.
Het Uwv heeft in hoger beroep het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat met het voornemen van 24 april 2024 sprake is van een aan het Uwv toe te rekenen toezegging dat per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering zou worden toegekend. Dat betekent dat appellant de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het Uwv, conform het voornemen van 24 april 2024, per 24 oktober 2019 een vervolguitkering op grond van de Wet WIA zou toekennen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,22%.
5.7.
Vervolgens is de vraag of het Uwv gehouden is aan de gerechtvaardigde verwachting te voldoen. In dat kader moet een belangenafweging plaatsvinden. Niet in geschil is dat er geen sprake is van een belang van een derde dat in de weg zou kunnen staan aan honorering van het vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat in dit geval het belang van appellant bij nakoming van de toezegging dat hem vanaf 24 oktober 2019 een WIAuitkering wordt toegekend moet worden afgewogen tegen de andere belangen.
5.8.
Het belang van het Uwv bestaat, zoals ter zitting van de Raad is toegelicht, uit het voorkomen dat in strijd met de wet aan appellant een WIA-uitkering moet worden toegekend per 24 oktober 2019. Het belang van appellant bestaat uit een mogelijke WIAuitkering vanaf 24 oktober 2019. Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [4] wordt overwogen dat het belang van appellant bij nakoming van de toezegging zwaar weegt. Daartegenover staat weliswaar het door het Uwv genoemde algemeen belang, namelijk het voorkomen van een (mogelijke) toekenning van een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel, maar dit belang weegt bij afwezigheid van concrete bedreigde belangen van enige betekenis minder zwaar dan dat van appellant. Dat sprake is van een WIA-uitkering over een lange(re) periode is daarbij niet doorslaggevend. Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, op basis van de gewekte verwachting geen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden, is bij deze belangenafweging niet doorslaggevend. Het Uwv is daarom gehouden aan de gerechtvaardigde verwachting te voldoen en appellant per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit van 9 augustus 2024 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 7 januari 2026, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 4.203,-.
7. Tot slot moet het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 augustus 2024;
  • draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend beroep kan worden ingesteld bij de Raad;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-;
  • bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.CRvB 13 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2120.
2.CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
4.ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.