ECLI:NL:RVS:2024:4384
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom wegens illegale woningsplitsing in Kerkrade
De zaak betreft een woningsplitsing in Kerkrade waarbij appellant zonder vergunning een woning heeft gesplitst in twee appartementen. Het college van burgemeester en wethouders legde een last onder dwangsom op om de woning terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Appellant betwistte dit en voerde onder meer een beroep op het vertrouwensbeginsel aan vanwege een vermeende toezegging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, waarbij het college werd opgedragen een nieuwe belangenafweging te maken, inclusief de vraag naar schadevergoeding. Het college handhaafde daarop het besluit en kende een beperkte schadevergoeding toe. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het college terecht het algemeen belang en de belangen van derden zwaarder heeft gewogen dan het belang van appellant bij het nakomen van het gewekte vertrouwen. De Afdeling bevestigt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en dat het besluit tot handhaving van de last onder dwangsom rechtmatig is. Tevens oordeelt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college een nieuwe belangenafweging moest maken en dat appellant geen recht heeft op vergoeding van misgelopen huurinkomsten.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, waarvoor de Staat een immateriële schadevergoeding van € 500,- aan appellant moet betalen, alsmede een gedeeltelijke vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot handhaving blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom tot ongedaan maken van de woningsplitsing blijft gehandhaafd.