ECLI:NL:RVS:2022:516
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het begrip 'gewerkte uren' bij berekening kinderopvangtoeslag en terugvordering
Deze zaak betreft het hoger beroep van een appellante tegen de afwijzing van haar verzoek tot herziening van de definitieve berekening van haar kinderopvangtoeslag over 2017, waarbij een terugvordering van € 3.850 inclusief rente was opgelegd.
De kern van het geschil draait om de uitleg van het begrip 'gewerkte uren' in artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag. De appellante stelde dat, anders dan de Belastingdienst/Toeslagen en eerdere rechtspraak aannemen, niet alleen de contractuele uren maar ook de feitelijk gewerkte uren, waaronder onbetaalde uren voor lesvoorbereiding en toetscorrectie, mee moeten tellen voor de toeslagberekening.
De Raad van State concludeert dat het begrip 'gewerkte uren' bij werknemers verwijst naar de met de werkgever overeengekomen arbeidsduur, zoals ook door het UWV aan Toeslagen wordt doorgegeven. De 40% opslag in het Besluit kinderopvangtoeslag is bedoeld om reistijd, onbetaald overwerk en onregelmatige diensten te compenseren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat zelfstandigen vanwege hun andere arbeidsrelatie en administratieve verplichtingen anders worden behandeld.
Verder oordeelt de Raad dat appellante zich had moeten informeren over de voorwaarden voor toekenning van de toeslag en dat de terugvordering niet onevenredig is, ook al leidt die tot financiële verslechtering. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de definitieve berekening en de terugvordering door Toeslagen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van te veel ontvangen kinderopvangtoeslag wordt bevestigd.