ECLI:NL:RVS:2018:4077
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing kinderopvangtoeslag berekening op basis van 70% van gewerkte uren
Appellante ontving in 2014 kinderopvangtoeslag gebaseerd op 118 uren per kind per maand. De Belastingdienst stelde dit definitief vast op basis van 67 uren per kind per maand, omdat volgens artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag voor buitenschoolse opvang maximaal 70% van de gewerkte uren van de minst werkende ouder in aanmerking komt, exclusief reistijd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellante voerde aan dat zij wettelijk verplicht was te werken in het kader van haar re-integratietraject onder de Participatiewet en dat de volledige 118 uren kinderopvangtoeslag toegekend moesten worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de 70%-regeling in het Besluit kinderopvangtoeslag standhoudt en dat de verplichting tot werken onder de Participatiewet niet leidt tot een andere uitkomst. Ook verwees de Afdeling naar eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat de regeling redelijk is en dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor de combinatie van werk en kinderopvang.
Appellante deed tevens een beroep op de artikelen 26 en 27 van het IVRK, maar de Afdeling oordeelde dat deze bepalingen geen zelfstandig recht op kinderopvangtoeslag inhouden en niet rechtstreeks toepasbaar zijn zonder nadere nationale regelgeving.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.