ECLI:NL:RVS:2018:2652
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kinderopvangtoeslag maximering op basis van gewerkte uren
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de kinderopvangtoeslag van appellante over 2014 definitief vast en legde een terugvordering van €3.253,00 op wegens te veel ontvangen voorschotten. Appellante voerde aan dat de maximering van kinderopvangtoeslag op 140% van de gewerkte uren van de minst werkende ouder niet passend was vanwege haar onregelmatige werktijden en aanvullende bijstandsuitkering.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de regeling is ingevoerd om de toeslag budgettair beheersbaar te houden en dat de koppeling aan het aantal gewerkte uren voor alle werkende ouders geldt, ook met wisselende roosters. De Afdeling oordeelde dat de exceptieve toets niet leidt tot buiten toepassing laten van artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag.
Voorts kon appellante niet aannemelijk maken dat toepassing van de regeling haar familieleven onevenredig zou schaden in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit en uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.