ECLI:NL:RVS:2020:576
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens omzetting zelfstandige woonruimte onterecht wegens vertrouwensbeginsel
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van €18.000 op wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Dit volgde op een bezoek van toezichthouders die constateerden dat zes personen kamers huurden in de woning.
Appellant kreeg een brief waarin werd gesteld dat bij tijdige aanvraag van een omzettingsvergunning geen boete zou worden opgelegd. Appellant vroeg tijdig een vergunning aan die ook werd verleend. Desondanks legde het college alsnog de boete op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Raad van State oordeelt dat appellant op grond van de brief en de verleende vergunning gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat geen boete zou volgen. Het college heeft hiermee gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De boete wordt daarom herroepen, het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het college wordt veroordeeld tot terugbetaling van betaalde boetes en proceskosten.
Uitkomst: De bestuurlijke boete is herroepen wegens schending van het vertrouwensbeginsel en appellant hoeft geen boete te betalen.