ECLI:NL:RVS:2022:1918
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing hoorplicht in bezwaarprocedure vreemdelingenrechtelijke machtiging tot voorlopig verblijf
Deze uitspraak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging.
De kern van het geschil is de toepassing van de hoorplicht in de bezwaarfase volgens artikel 7:2 en Pro 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De staatssecretaris had de aanvraag aanvankelijk afgewezen omdat onvoldoende bewijs was geleverd van een duurzame relatie en van vrijstelling van het middelenvereiste. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de vreemdeling en referent in bezwaar hadden moeten horen, wat de staatssecretaris betwistte.
De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris de vreemdeling had moeten horen, mede vanwege de concrete en onderbouwde omstandigheden en het expliciete verzoek om een hoorzitting. De Raad stelt dat de werkwijze van de staatssecretaris omtrent de hoorplicht in algemene zin in overeenstemming is met het wettelijke kader, maar dat in twijfelgevallen de vreemdeling vaker gehoord moet worden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd.