ECLI:NL:RBDHA:2022:11005
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiser, een Keniaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een visum voor kort verblijf om zijn partner en haar familie in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen door verweerder wegens onvoldoende sociale en economische binding met Kenia en een risico voor de volksgezondheid in het kader van COVID-19.
Eiser voerde aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om zijn bindingen te onderbouwen en dat verweerder onterecht geen aanvullend onderzoek had gedaan of hem had gehoord. Ook stelde hij dat het bezwaarschrift niet volledig was betrokken in de beoordeling en dat de weigering onevenredig was.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om bewijs te leveren en dat verweerder terecht een grote beoordelingsruimte had. De sociale en economische bindingen van eiser met Kenia waren onvoldoende concreet en objectief onderbouwd om twijfel over zijn terugkeer weg te nemen. De coronapandemie als aanvullende weigeringsgrond behoefde geen bespreking.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Kenia.