Rechtbank Rotterdam
zaaknummers: ROT 22/952, 22/967, 22/1059, 22/1276, 22/1754, 22/1755 en 22/1346
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaken tussen
[eiser], te [plaats] , eiser,
gemachtigden: mr. M. Peters en mr. I. Laurijssen,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. M.M. de Vries,
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen zeven boetes van elk € 1.500,- voor overtredingen van de Wet dieren. Met besluiten van 22 december 2017, 26 april 2019, 14 mei 2021, 8 januari 2021, 22 september 2017, 13 juli 2018 en 15 december 2017 heeft verweerder bestuurlijke boetes aan eiser opgelegd.
1.2. Met besluiten van 18 januari 2022, 17 januari 2022, 21 januari 2022, 31 januari 2022, 4 maart 2022 (twee besluiten) en 3 februari 2022 op de bezwaren van eiser heeft verweerder de boetes gehandhaafd (de bestreden besluiten).
1.3. Op 15 juli 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 2 augustus 2023 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend. Op 25 augustus 2023 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 15 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde, mr. G.G. Kranendonk, en de gemachtigde van verweerder.
1.5. Op 16 november 2023 heeft de rechtbank het onderzoek in alle zaken heropend en verweerder verzocht om een nadere toelichting. Bij brief van 30 november 2023 heeft verweerder deze nadere toelichting gegeven. Bij brief van 12 december 2023 heeft eiser hierop gereageerd. Nadat geen van de partijen te kennen heeft gegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank bepaald dat deze achterwege blijft en het onderzoek in alle zaken op 2 februari 2014 gesloten.
Totstandkoming van de besluiten
2. Verweerder heeft zijn besluiten gebaseerd op zeven rapporten van bevindingen die zijn opgemaakt door toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Voor een weergave van de inhoud van deze zeven rapporten van bevindingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.
3. Naar aanleiding van de rapporten van bevindingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de dieren van eiser onnodig pijn en letsel is toegebracht en dat eiser daarmee zeven keer een overtreding heeft begaan van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder d of e, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk III, paragraaf 1.8, onder d, van de Transportverordening. Verweerder heeft eiser voor deze overtredingen zeven keer een boete opgelegd van € 1.500,-. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft gesteld dat eiser de beboetbare feiten heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht boetes heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De beroepsgronden over de wijze waarop het vangletsel is vastgesteld
5. Eiser heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.
Het is niet overtuigend bewezen dat de overtredingen zijn begaan. De wijze waarop verweerder het letsel heeft vastgesteld, is volgens eiser niet juist. Verweerder dient op zijn minst aan te tonen dat in de stal bij het vangen geweld is gebruikt of een methode die onnodig letsel of lijden aan de kuikens heeft toegebracht, maar de NVWA weigert om in de stal controles uit te voeren.
Bij eiser zijn de kuikens gehuisvest in een patiostal en de kippen worden daarbij niet gevangen maar geladen vanaf een band. Dit veroorzaakt geen onnodige pijn of letsel maar waarborgt juist de rust en het welzijn van de kuikens. In de zaak ROT 22/1059 is van belang dat in februari 2021 de kippen op het bedrijf in [plaats] machinaal werden geladen.
Volgens eiser valt uit de door verweerder ingebrachte foto’s niet af te leiden dat eiser zijn dieren, gelet op de kleur van de bloedingen, letsel heeft toegebracht. Verder kan volgens eiser de CBb-uitspraak van 12 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:169), waarin ook een film is genoemd, alleen betekenis hebben in zaken waarin precies dezelfde methode met hetzelfde bedwelmingsmiddel is toegepast. Er wordt op het slachthuis slechts twee keer twee minuten geteld maar er is geen wettelijke grondslag die zou maken dat daarmee betrouwbaar kan worden vastgesteld dat sprake is van vangletsel. Het tellen van bloeduitstortingen is geen hard bewijs. Bovendien moet de toezichthouder over bovennatuurlijke krachten beschikken wil hij met bandsnelheden van 7.500 tot 13.500 kuikens per uur het aantal bloeduitstortingen, en dan ook nog alleen de exemplaren die donkerrood/paars van kleur zijn en groter dan 3 centimeter, nauwgezet kunnen tellen. Er is daarnaast maar een beperkt aantal kuikens gezien, dus kan er niet worden geconstateerd dat bij het hele koppel sprake is van meer dan 2% vangletsel. Ook vraagt eiser zich af hoe de periode tussen het laden en het tellen op het slachthuis zich verhoudt tot de tabel van Bremner & Johnston waar verweerder naar verwijst. Zo waren de letsels in de zaak ROT 22/1059 tussen de ongeveer 6 uur en ongeveer 7 uur oud, wat een kortere periode dan 12 uur is.
Ter onderbouwing van het betoog dat het geconstateerde letsel ook op andere momenten kan zijn ontstaan, verwijst eiser naar de bevindingen in het rapport van de veterinair deskundige, J.J.B. Simons (hierna: Simons), van 19 juli 2021, en dan met name naar de daarin opgenomen bevindingen van dierenarts M.J.J. Wiering (hierna: Wiering).
Verder is een aantal rapporten van bevindingen onvoldoende duidelijk. Zo is in de zaken ROT 22/952 en ROT 22/967 in de rapporten niet exact vastgelegd wat de toezichthouder heeft geteld; onduidelijk is of het ging om vleugelletsel of bloeduitstortingen, wat de kleur was en of de bloeduitstortingen groter waren dan drie centimeter. In de zaken ROT 22/1755 en ROT 22/1346 heeft de toezichthouder, gelet op de beschrijvingen in de rapporten, kennelijk niet enkel bloeduitstortingen geteld maar ook fracturen. In de zaak ROT 22/1276 zijn maar liefst vijf tellingen gedaan door twee toezichthouders, maar uit het rapport van bevindingen blijkt niet wie wat geteld heeft en ook de tijd van de tellingen is niet exact genoteerd.
Voorts moet aan de betrouwbaarheid van de rapporten van bevindingen in de zaken ROT 22/967, ROT 22/1059, ROT 22/1754 en ROT 22/1346 worden getwijfeld, nu deze pas vier tot zes weken na de vangletseltellingen zijn opgesteld.
Daarnaast blijkt uit de stukken niet altijd dat de kippen van eiser zijn geteld.
Verder betoogt eiser dat het uitgangspunt dat (in beginsel) dient te worden uitgegaan van de juistheid van de bevindingen van een toezichthoudende dierenarts, in strijd is met ‘equality of arms’ in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De beoordeling van de rechtbank
6.1. In een geval als het onderhavige, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De rechtbank acht het uitgangspunt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de inhoud van de rapporten van bevindingen niet in strijd met het beginsel van ‘equality of arms’.
6.2. Het CBb heeft meermaals geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de methode van het vaststellen van vangletsel aan de slachtlijn niet deugdelijk is. Hierbij is onder meer het rapport van Wageningen University & Research van 2019 (WUR-rapport) betrokken. Bij de door verweerder gehanteerde tabel waarin de kleur van een bloeduitstorting is gerelateerd aan de geschatte ouderdom van een bloeding, gaat het om een glijdende schaal van verkleuring. De kleur van de bloeding verandert in de tijd tussen twee minuten en twaalf uur van helderrood naar donkerrood/paars. Laatstgenoemde kleur is niet pas bereikt na twaalf uur. Het CBb heeft meermaals geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat als een bloeding donkerrood of paars is, in combinatie met de locatie van het letsel, én een grootte van 3 centimeter of meer heeft, de bloeding is ontstaan tijdens het vangen van de kuikens en het laden in de containers en niet is veroorzaakt tijdens het transport en/of in het slachthuis.Wat eiser in de onderhavige zaken heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel. De rechtbank merkt daarbij op dat het standpunt van verweerder dat de getelde bloedingen niet kunnen zijn veroorzaakt tijdens het transport en/of in het slachthuis, niet slechts is gebaseerd op de film die is getoond in de door eiser genoemde zaak bij het CBb. Zo heeft verweerder in het verweerschrift van 25 augustus 2023 verwezen naar het WUR-rapport van januari 2019 waarin is geconcludeerd dat er tijdens het slachtproces geen vleugelbloedingen meer ontstaan en dat de geconstateerde bloedingen zelfs afnemen. In een e-mail van 21 februari 2020, die als bijlage bij het verweerschrift van 25 augustus 2023 is gevoegd, heeft één van de opstellers van dit rapport bevestigd dat tijdens het slachtproces nagenoeg geen letsel optreedt met bloedingen groter dan 1 centimeter.
6.3. Eiser heeft verwezen naar het rapport van Simons en dan met name naar het bij dit rapport gevoegde rapport van Wiering van 29 december 2020. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft Wiering verzocht om door middel van een onderzoek te onderbouwen dat bloeduitstortingen bij kuikens ook bij normale handelingen, waarbij de dieren enkele keren met de vleugels flapperen, kunnen optreden. Wiering heeft bij zijn onderzoek 30 kuikens (aselect) aan hun poten uit de hokken gehaald en per drie in een grote emmer naar de voorruimte van de stal gebracht, waarbij de kippen met hun vleugels hebben geslagen. De kippen hebben 3-10 minuten in de emmers gezeten. De kuikens zijn gefotografeerd. Wiering heeft onder meer vastgesteld dat bij 22 van de 30 kuikens afwijkingen te zien zijn in de vorm van kleine of grotere bloedingen en dat de kleuren van de bloeduitstortingen variëren van rood tot paars. Volgens Wiering komt de kleur van de bloedingen overeen met de door verweerder gehanteerde tabel, waarbij Wiering heeft opgemerkt dat bij enkele dieren al vroeg in het tijdsvenster tussen 2 minuten en 12 uur de rood-paarse kleur optrad, namelijk na 3 tot 10 minuten. Volgens Wiering heeft het flapperen met de vleugels de bloeduitstortingen veroorzaakt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit onderzoek, dat beperkt van opzet en ook volgens Wiering zelf niet wetenschappelijk van aard is geweest, onvoldoende aanleiding geeft voor twijfel aan de gangbare wijze van vaststellen van vangletsel. Zoals diverse malen eerder in de rechtspraak aan de orde is geweest, heeft verweerder zijn werkwijze gebaseerd op wetenschappelijke publicaties. Verweerder heeft in de onderhavige zaken onder meer toegelicht dat uit wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij hevig fladderen rode vleugeltips kunnen ontstaan, die echter zo klein zijn dat deze niet worden meegeteld bij de vangletseltellingen. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat, indien al bij normaal fladderen het hier relevante vleugelletsel (grote donkerrode tot paarse bloedingen) zou kunnen ontstaan, dat bij een veel hoger percentage van de dieren aan de orde zou moeten zijn. Dat volgens Wiering “bij enkele dieren” al na korte tijd rood-paarse bloedingen zijn ontstaan, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om te twijfelen aan het uitgangspunt van verweerder dat dergelijke bloedingen pas na enkele uren zichtbaar worden. In dit kader acht de rechtbank van belang dat de kippen niet zijn gefotografeerd voordat zij in de emmers zijn gestopt. Daarom is niet uitgesloten dat de letsels al op een eerder moment zijn ontstaan. Tot slot heeft verweerder er terecht op gewezen dat de dieren in het onderzoek van Wiering aan de poten uit de hokken zijn gepakt en dat ze vervolgens met drie tegelijk in een emmer zijn gestopt. Niet kan worden uitgesloten dat de letsels bij de dieren hierdoor zijn ontstaan en niet door het fladderen.
6.4. Dat de kippen van eiser in een patiostal worden gehouden, maakt niet dat geen vangletsel kan ontstaan. Ook bij een patiostal met een laadplateau is nog sprake van menselijk handelen. Het laadsysteem wordt immers door personeel bediend en de kippen worden uiteindelijk handmatig in de containers geplaatst. In beide gevallen kan verkeerd of onvoldoende zorgvuldig handelen ervoor zorgen dat de kippen letsel oplopen, zoals ook het CBb heeft geoordeeld.De stelling van eiser in de zaak ROT 22/1059 dat de kippen op het bedrijf in [plaats] machinaal werden geladen, leidt niet tot het oordeel dat het in dit geval niet om vangletsel kan zijn gegaan, nu eiser ter zitting heeft bevestigd dat het machinaal laden nog niet aan de orde was ten tijde van de controle in februari 2021.
6.5. Over de bij de rapporten gevoegde foto’s overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het opnemen van foto’s kan bijdragen aan de bewijskracht van een rapport van bevindingen, is het ontbreken van voldoende duidelijke foto’s geen reden voor zodanige twijfel aan de in een rapport opgenomen bevindingen dat het niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kan worden gelegd.In dit geval heeft verweerder bij het aanvullende verweerschrift in alle zaken de foto’s digitaal in kleur aangeleverd. De kleurenfoto’s zijn op de zitting met partijen besproken. Verweerder heeft hierbij ook toegelicht welke foto’s bij welke boetezaak horen. De rechtbank is het met verweerder eens dat op de foto’s in verreweg de meeste gevallen donkerrode tot paarse bloeduitstortingen van meer dan 3 centimeter te zien zijn. De rechtbank beschouwt deze foto’s als ondersteunend bewijs bij de bevindingen zoals deze blijken uit de rapporten.
6.6. In de rechtspraak van deze rechtbank en van het CBb is al eerder geoordeeld dat bij bandsnelheden tot 15.000 kippen per uur nog tellingen kunnen worden verricht waarbij alleen donkerrood-paarse bloedingen van minimaal 3 centimeter worden meegenomen. Daarbij is van belang dat de toezichthouders erop getraind zijn, dat zij een stuk van de slachtlijn af staan op een goed verlichte plek en dat zij bij twijfel een bloeding niet meetellen. Daarnaast vinden er intercollegiale steekproeven plaats waarbij de tellingen nagenoeg overeenkomen.Over de stelling van eiser dat niet gebleken is dat er bij de gehele koppels meer dan 2% vangletsel was, overweegt de rechtbank dat verweerder zich er niet van hoeft te vergewissen dat de vangletseltelling representatief is voor het gehele koppel.
6.7. De beroepsgrond dat in sommige zaken niet duidelijk is wat de toezichthouders precies hebben geteld, slaagt niet. In alle zaken blijkt voldoende uit de rapporten van bevindingen dat volgens de werkinstructie is geteld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat alleen donkerrood tot paarse bloedingen van meer dan 3 centimeter zijn geteld
.Dat in de zaak ROT 22/1276 dubbeltellingen zijn gedaan nu er vijf tellingen door twee verschillende toezichthouders zijn gedaan, is niet gebleken. Bovendien heeft verweerder maar voor één overtreding een boete opgelegd. Ongeacht welke twee tellingen uit deze vijf tellingen genomen wordt, het gemiddelde komt in ieder geval boven 2% uit.
6.8. De beroepsgrond dat niet altijd duidelijk is dat de kippen van eiser zijn geteld, slaagt evenmin. Uit de diverse dossiers volgt voldoende duidelijk dat de toezichthouders zich ervan hebben vergewist dat kippen afkomstig van eiser zijn geteld.
6.9. De beroepsgrond dat aan de betrouwbaarheid van de rapporten in een aantal zaken moet worden getwijfeld nu deze rapporten pas vier tot zes weken later zijn opgesteld, slaagt niet. De toezichthouder maakt aantekeningen van de bevindingen en maakt foto’s tijdens de controle en stelt op basis hiervan later een rapport op. De omstandigheid dat dit enige tijd later gebeurt, maakt niet dat aan de inhoud van de rapporten moet worden getwijfeld.
6.10. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgronden niet slagen en dat verweerder de boetes terecht heeft opgelegd.
Overschrijding van de redelijke termijn
7.1. Eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is geschonden. Volgens vaste rechtspraakgeldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiser de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zou opleggen; dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 procent per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, met een maximum van in het algemeen € 2.500,-.
7.2. Ook in de onderhavige boetezaken is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van de voornemens. De rechtbank stelt vast dat op het moment van deze uitspraak in alle zeven beroepen er meer dan twee jaar is verstreken sinds de voornemens zijn uitgebracht. Verweerder heeft er echter op gewezen dat in bezwaar deze zaken enige tijd zijn aangehouden op verzoek van eiser. De rechtbank begrijpt uit de onbetwiste toelichting van verweerder in het verweerschrift en de daarbij overgelegde stukken het volgende. Op 13 mei 2020 heeft verweerder aan eiser bericht dat de zaken worden aangehouden in afwachting van een uitspraak van het CBb, zoals door eiser was gevraagd. Op 4 mei 2021 heeft het CBb de desbetreffende uitspraak gedaan. Daarnaast had eiser aangegeven niet telefonisch (zoals door verweerder was aangeboden) maar fysiek gehoord te willen worden en vanwege coronamaatregelen kon een hoorzitting op het kantoor van de NVWA niet eerder dan op 23 september 2021 plaatsvinden. Vervolgens is op deze hoorzitting afgesproken dat de zaken zouden worden aangehouden in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en die uitspraak is op 15 december 2021 gedaan.
7.3. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de periode van 13 mei 2020 tot en met 15 december 2021 buiten beschouwing laten bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Met aftrek van deze periode van een jaar en zeven maanden is er in vijf beroepen nog sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. In ROT 22/952 is de redelijke termijn met twee jaar en ongeveer negen maanden overschreden en dat betekent dat de boete van € 1.500,- moet worden gematigd met 30 procent tot een bedrag van € 1.050,-. In ROT 22/967 is de overschrijding van de redelijke termijn een jaar en ongeveer vijf maanden en dat betekent een matiging van de boete met 15 procent tot een bedrag van € 1.275. In ROT 22/1346 is de redelijke termijn overschreden met twee jaar en negen maanden, wat leidt tot een matiging van de boete met 30 procent tot een bedrag van € 1.050,-. In ROT 22/1754 is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer drie jaar en dat betekent eveneens een matiging van 30 procent tot een boete van € 1.050,-. In ROT 22/1755 is de redelijke termijn met twee jaar en twee maanden overschreden, wat leidt tot een matiging van de boete met 25 procent tot een bedrag van € 1.125,-. In de beroepen ROT 22/1059 en ROT 22/1276 is de redelijke termijn niet overschreden.
8.1. Uit het voorgaande volgt dus dat verweerder terecht de boetes heeft opgelegd, maar dat de boetebedragen in ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 worden verlaagd omdat de redelijke termijn in die procedures is overschreden. Omdat de rechtbank de boetebedragen in die vijf beroepen verlaagt, worden de bestreden besluiten in zoverre vernietigd en de primaire besluiten in zoverre herroepen. De beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 zijn dus gegrond. In ROT 22/1059 en ROT 22/1276 blijven de boetes in stand en deze beroepen zijn dus ongegrond.
8.2. Omdat de beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 gegrond worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten van eiser wordt vergoed. Voor de toerekening hiervan geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd voor zover deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. In dit geval is de overschrijding in de vijf zaken zowel aan verweerder als aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal dan ook zowel verweerder als de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen deze bedragen te vergoeden, elk voor de helft.
8.3. Het door eiser betaalde griffierecht in ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 bedraagt per beroep € 184,-, dus € 920,- in totaal. Daarvan dient verweerder € 460,- te vergoeden en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) eenzelfde bedrag.
8.4. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt per proceshandeling een bedrag van € 875,- toegekend. Omdat het slechts gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank wegingsfactor 0,25 (zeer licht) hanteren.Verder zijn naar het oordeel van de rechtbank de vijf beroepen samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb en de proceskosten komen dus maar één keer voor vergoeding in aanmerking. Omdat sprake is van vijf zaken zal de rechtbank wel factor 1,5 toepassen. Het totaal te vergoeden bedrag aan proceskosten in de beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 bedraagt dus € 328,13. Verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) dienen elk de helft van dit bedrag (afgerond € 164,06 en € 164,07) aan eiser te vergoeden.
- verklaart de beroepen ROT 22/1059 en ROT 22/1276 ongegrond;
- verklaart de beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 gegrond;
- vernietigt in de beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 de bestreden besluiten, voor zover die zien op de hoogte van de boete;
- herroept in de beroepen ROT 22/952, ROT 22/967, ROT 22/1346, ROT 22/1754 en ROT 22/1755 de primaire besluiten, voor zover die zien op de hoogte van de boete;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de besluiten;
- stelt in ROT 22/952 de boete vast op € 1.050,-;
- stelt in ROT 22/967 de boete vast op € 1.275,-;
- stelt in ROT 22/1346 de boete vast op € 1.050,-;
- stelt in ROT 22/1754 de boete vast op € 1.050,-;
- stelt in ROT 22/1755 de boete vast op € 1.125,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiser € 460,- aan griffierechten vergoedt;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan eiser € 460,- aan griffierechten vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 164,05;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kunnen zij de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kunnen zij de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rapporten van bevindingen