ECLI:NL:CBB:2021:470
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- H.L. van der Beek
- W.A.J. van Lierop
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boeteoplegging voor vangletsel bij vleeskuikens volgens Transportverordening
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelde een boete van €1.500,- vast tegen een pluimveehouder wegens overtreding van de Wet dieren en de Transportverordening, omdat bij vleeskuikens vangletsel werd geconstateerd dat volgens de minister was ontstaan tijdens het vangen op het bedrijf. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de pluimveehouder gegrond en vernietigde het besluit, onder meer omdat zij oordeelde dat de minister een onjuiste handhavingsnorm hanteerde en onvoldoende bewijs leverde dat het letsel tijdens het vangen was ontstaan.
In hoger beroep stelde het College vast dat de Transportverordening van toepassing is op het vangen als onderdeel van het vervoer en dat het verboden is dieren onnodig pijn of lijden toe te brengen. Het College oordeelde dat de door de minister gehanteerde methode voor het vaststellen van vangletsel deugdelijk is en dat het letsel met een grootte van 3 cm of meer en een donkerrode tot paarse kleur aannemelijk tijdens het vangen is ontstaan. Het College verwierp het standpunt van de pluimveehouder dat vangletsel inherent is aan het vangen en dus niet onnodig zou zijn.
Ook oordeelde het College dat het hanteren van een handhavingsnorm van 2% vangletsel niet in strijd is met de Transportverordening, omdat incidentele fouten kunnen voorkomen. Het College concludeerde dat de minister terecht de boete heeft opgelegd en dat de hoogte van de boete proportioneel is. De klacht over de duur van de procedure faalde omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden. Het College vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de pluimveehouder ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de pluimveehouder wordt ongegrond verklaard en de boete van €1.500,- wordt bevestigd.